Mieters, al die missers

Frida Vogels: Dagboek 1964-1965. Deel 5. G.A. van Oorschot. 408 blz. € 27,50

Hans Warren: Geheim Dagboek 1996-1998. Deel 20. Bert Bakker, 318 blz. € 24,95

‘Zelf zou ik een dagboek als dit graag lezen’, zei Frida Vogels (78) in de Volkskrant, naar aanleiding van de verschijning van Dagboek 1964-1965, het vijfde deel van de serie. Dat lijkt een grappige, vooral ook nogal vanzelfsprekende uitspraak. Maar de nadruk ligt hier op het woord ‘zelf’. Veel lezers zouden zich, aldus Vogels in hetzelfde interview, hebben geërgerd aan haar ‘gezeur’. Zou Hans Warren, die andere dagboekschrijver, als hij niet in 2001 was overleden, tot de liefhebbers hebben behoord? Ik vraag het me af. Zoals ik me omgekeerd ook afvraag of Vogels graag zou lezen in het jongste, postuum verschenen Geheim Dagboek 1996-1998 van Hans Warren. Zij zou zich mogelijk storen aan zijn expliciete manier van formuleren, zoals hij zich wellicht had geërgerd aan haar besmuiktheid. Waar hij erotische scores bijhield en trots kon melden, op zijn 74ste, hoe glorieus hij was klaargekomen, daar zwijgt Vogels, op haar 34ste, angstvallig over haar seksleven met haar Italiaanse echtgenoot Enzo. Waar hij, hoezeer ook een mopperaar, wel eens noteert content te zijn met huis, tuin, of persoonlijke situatie, daar geeft zij maar mondjesmaat blijk van enige tevredenheid.

Toch valt er, bij alle inhoudelijke verschillen, ook wel iets overeenkomstigs te bespeuren tussen de twee dagboekschrijvers en dat is een neiging tot ontluistering. Bij Warren uit zich dat vooral in het lichamelijke, bij Vogels in het geestelijke. Warren schrijft zonder omwegen over aambeien, incontinentie, erectieproblemen, darmkrampen en zijn door huidkanker aangetaste schedel. Ook Vogels is nietsontziend in haar zelfbeschouwing. Zij vindt zichzelf ‘niet sympathiek’ omdat ze allerlei dingen maar half doet. Getrouwd willen zijn, maar ook verlangen naar een kluizenaarsbestaan. Iets graag willen, maar het niet durven zeggen. Daardoor komt ze in een gesprek maar zelden tot haar recht. Als ‘principieel ongelezen schrijfster’ (in de jaren zestig was ze nog lang niet toe aan publiceren) had ze het vaak moeilijk, maar ook in de gewone omgang met mensen schoot ze in eigen ogen vaak te kort. Een enkele keer is ze tevreden over iets, wanneer ze bijvoorbeeld kans ziet een kort, persoonlijk gesprek te voeren met de moeder van Enzo. ‘E.’s vader kwam erbij zitten, wat een familietafereel opleverde waarin ik mijn plaats met voldoende waarschijnlijkheid innam.’ Aan deze droge formulering is wel af te zien dat Vogels niet alleen maar leed onder haar tekortkomingen. Het leverde haar interessante stof op. Op 8 augustus 1964 noteerde ze enthousiast: ‘Ik vind dat mieters. Al die gemiste kansen.’

Op het eerste gezicht valt er bij zowel Warren als Vogels veel kommer en kwel te bespeuren: kwaaltjes, ziektes, ruzies, jaloezie, antipathieën, misverstanden, onbegrip en eenzaamheid. Maar steeds is er, bij alle narigheid, ook de troost van de treffende formulering. Of de stiekeme tevredenheid over de juiste weergave van een vervelende gebeurtenis. Of het plezier in het vastleggen van kleine alledaagsheden. Wat mij van Warren zal bijblijven is de koelkast die door een monteur het erf wordt afgedragen alsof het ‘een lege kartonnen doos’ is, maar ook een notitie op 11 juni 1996, een paar dagen na het overlijden van Bert Schierbeek. ‘Sympathieke kerel’, schrijft hij. ‘Hij mist dat arrogante dat bij zo veel schrijvers afstoot.’ En voegt er dan nog terloops aan toe: ‘Alleen was zijn werk onleesbaar.’ Van Vogels zal mij de ontroerend gedetailleerde schets bijblijven die ze maakte van de kamer van haar broer Michiel, tijdens een van hun mislukte ontmoetingen. ‘Hier zat ik’, staat er bij het vierkantje dat een ‘fauteuil’ moet verbeelden.

Onthecht, weerbarstig, vitaal. Dat zijn zo wat indrukken die Vogels en Warren, ieder op hun manier, als dagboekschrijvers achterlaten – hoe ziek, zwak of misselijk ze ogenschijnlijk ook door het leven gingen.

    • Janet Luis