Leve de democratie

Op het moment dat de strijd in de Kaukasus losbarstte, nu twee weken geleden, vermaakte de Amerikaanse president zich in Peking met de in minuscule bikini’s geklede beachvolleybalsters van het Amerikaanse olympische team. Toen Rusland vorige week vrijdag nog geen aanstalten had gemaakt om zijn troepen terug te trekken, waarschuwde George W. Bush de Russische leiders dat treiteren en intimideren geen aanvaardbare manieren waren om buitenlandse politiek te bedrijven in de 21ste eeuw. Zou Bush de ironie van zijn eigen woorden inzien?

De Franse president was toen al een week lang dapper op en neer aan het pendelen tussen Moskou en Tbilisi. Aanvankelijk begreep ik niet goed waar Nicolas Sarkozy zijn rol als vredesonderhandelaar aan te danken had. Het duurde even (het zal aan de zomerhitte hebben gelegen) eer het tot mij doordrong dat Frankrijk dit half jaar voorzitter van de Europese Unie is. Dat betekent dat het net zo goed de premier van Malta had kunnen zijn, een land dat evenveel inwoners telt als de stad Den Haag, die in beide hoofdsteden het Europese standpunt voor het voetlicht bracht.

De woorden van president Bush zouden ongetwijfeld meer indruk hebben gemaakt als hijzelf niet de 21ste eeuw had ingeluid met ronkende teksten over ‘de as van het kwaad’, met het schofferen van de internationale gemeenschap en met de Amerikaanse inval in Irak. Daar staat tegenover dat president Sarkozy in Moskou meer clout zou hebben gehad als de Europese lidstaten het Verdrag van Lissabon hadden geratificeerd, in plaats van dat het verdrag door Ierse kiezers op een achternamiddag achteloos van tafel was geveegd. Het verdrag zou een einde hebben gemaakt aan het eindeloze gejongleer met het voorzitterschap en de EU zou een heuse minister van Buitenlandse Zaken hebben gekregen. In Washington en Moskou weten ze ook dat de Europese lidstaten hopeloos verdeeld zijn.

Het is frustrerend om te zien met welk gemak de Europese idealen de afgelopen jaren zijn verkwanseld door politici, opinieleiders (met name Ronald Plasterk, de huidige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die tot anderhalf jaar geleden een invloedrijke columnist was voor de Volkskrant en het televisieprogramma Buitenhof) en door kiezers.

Uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) afgelopen maandag publiceerde blijkt dat het wantrouwen van de Nederlandse kiezers tegenover Europa sinds het begin van de jaren negentig aanzienlijk is toegenomen. In 2006 was 55 procent van de kiezers tegenstander van een verdere Europese eenwording en slechts 26 procent voorstander. In 1994 waren er in Nederland nog meer voorstanders dan tegenstanders van een verdergaande Europese eenwording.

De val van de Berlijnse Muur, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, de Duitse hereniging en het besluit van Europese regeringsleiders om tot een gezamenlijke munt te komen markeerden eind vorige eeuw het begin van een decennium van ongekend geopolitiek optimisme. De aanslagen van 11 september 2001 maakten in één klap een einde aan al deze dromen. Tegelijkertijd veranderde ook de waardering voor Europa.

Geen enkel Europees verdrag sindsdien heeft de goedkeuring van het electoraat meer kunnen wegdragen. In termen van peuterpsychologie verkeren de kiezers al zeven jaar in de nee-fase. Daardoor kan het gebeuren dat, nu het erop aankomt, Europa niet thuis geeft.

In de jaren negentig vatte de gedachte post dat er geen alternatieven zouden zijn voor de Westerse maatschappelijke orde (we dachten destijds ook dat we voortaan alleen nog maar inflatieloze economische groei zouden meemaken). Het politieke en economische liberalisme, zoals we dat in het Westen beleden, zou, zoals de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama in zijn boek The End of History and the Last Man uit 1992 betoogde, universeel als de ultieme bestuursvorm gaan gelden.

Toegegeven, er was destijds al kritiek op Fukuyama’s gedachtengoed, onder meer van de onlangs overleden Russische schrijver en Nobelprijswinnaar Aleksandr Solzjenitsyn. Bij een van zijn zeldzame publieke optredens vertelde Solzjenitsyn in 1993 zijn toehoorders – hij leefde toen nog in ballingschap – dat hij niet kon meegaan in de euforie. Hij waarschuwde het Westen voor de volhardendheid van de oude Russische elites, de voormalige partijbonzen en KGB-functionarissen die zichzelf zo gemakkelijk omvormden in ‘democraten’ en ‘zakenmannen.’

Niettegenstaande de kritiek werd Fukuyama’s gedachtengoed leidraad voor het buitenlands beleid in de jaren 90. Dat was in de eerste plaats gericht op het vrijmaken van de wereldhandel en het omvormen van de voorheen centraal geleide economieën tot markteconomieën.

Inmiddels heeft de inflatie in Europa en de Verenigde Staten bijna historische hoogten bereikt en blijken China en Rusland niet de democratische paradijzen te zijn geworden die ons eind vorige eeuw werden voorgespiegeld. De Amerikaanse neoconservatieve commentator Robert Kagan opent zijn onlangs verschenen boek The Return of History and the End of Dreams niet voor niets met de zinsnede „De wereld is weer normaal geworden”. Maar misschien is zelfs Kagan nog te optimistisch. In plaats van dat de wereld vrijer is geworden, is de wereld juist minder vrij geworden. China en Rusland bestrijden ons tegenwoordig met onze eigen middelen.

Nu we niet freewheelend het einde van de geschiedenis tegemoet gaan, nu er echt wat op het spel staat, heeft de kiezer opeens zijn buik vol van Europa. Politici met een visie die niet verder reikt dan de eigen achtertuin, worden royaal beloond door het electoraat, zowel in Nederland als daarbuiten. Europeanen zijn in dat opzicht geen haar beter dan Amerikanen, die vier jaar geleden George W. Bush verkozen boven de Democratische presidentskandidaat John Kerry, onder meer omdat die laatste een paar woorden Frans bleek te kunnen spreken.

Reageren kan op nrc.nl/mees (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)

    • Heleen Mees