Infanteristen zonder oorlogszucht

‘Zeshonderdzesenzestig’, collage van Isabel Ferrand, te zien in het Museum Gouda. Beeldende kunst: Isabel Ferrand verwerkt soldaatjes van haar vader tot collages Ferrand, Isabel

Tentoonstelling Isabel Ferrand, t/m 5 oktober in Museum Gouda, Achter de Kerk 14, Gouda. Wo-vr 10-17u, za-zo 12-17u. Inl: 0182- 331000, www.museumgouda.nl

Je bent kunstenaar en je verliest een van je ouders. Of je ziet je oma dement worden en daarmee een schat aan herinneringen en geheimen voorgoed ontoegankelijk worden. Is er een beter eerbetoon denkbaar dan een kunstwerk? Maar daarmee ben je er nog niet. Een goed kunstwerk vertelt meer dan alleen een levensverhaal zoals er al zo veel zijn.

Kunstenaar Isabel Ferrand heeft haar talent hieraan gewijd. Het gaat om haar vader, die miniatuursoldaatjes verzamelde. En fanatiek ook. Hij spaarde niet de mooie tinnen exemplaren, maar knipte poppetjes uit karton en stelde ze in zijn hobbykamer in slagorde op. Met gedetailleerde aantekeningen en landkaarten speelde hij op de werktafel historische veldslagen na en Isabels broers mochten helpen. De reservetroepen lagen met duizenden in kasten, naast de papieren kanonnetjes die Ferrand knutselde voor zijn kleinkinderen.

Als beroepsmilitair was hij gestationeerd in de Portugese kolonies. Toen Portugal vorige eeuw nog een dictatuur was, zag het zijn grote overzeese rijk onafhankelijk worden. Zou Ferrand stiekem verlangd hebben naar succesvoller veldslagen uit het verleden?

Zijn nalatenschap, bestaande uit duizenden soldaatjes en toebehoren, ging naar zijn pacifistische dochter Isabel. Ze was daar eigenlijk niet goed tegen opgewassen en besloot er kunst van te maken: collages waar infanteristen hun oorlogszucht afschudden door te verworden tot decoratieve poppetjes in kleurige composities. Deze werken op papier zijn nu te zien in het Museum Gouda, een plek die voor Ferrand misschien prettiger voelt dan de militaire musea waar ze eerder exposeerde.

De precieze gedachten van Ferrand senior kennen we niet. Maar dat doet er niet toe, tenminste, voor het kunstwerk niet. Het mooie van een mensenleven is dat je er iets groters, universelers uit kunt destilleren. Daar zijn meer voorbeelden van in de kunst. Betty Ras vond na het overlijden van haar vader angstaanjagende kattenbelletjes, gesmoorde kreten, en verwerkte ze in installaties die een beeld geven van menselijke wanhoop. Vesselina Nikolaeva plaatste foto’s van haar dementerende oma naast een tijdbalk met de turbulente Bulgaarse geschiedenis – over anonieme spelers in de wereldgeschiedenis. Ook Ferrand probeert het verhaal van haar vader breder te trekken: de zaaltekst rept over kolonialisme, militarisme en historisch bewustzijn.

Bij Ferrand komen die thema’s niet helemaal uit de verf. In de Goudse stijlkamers hebben haar militaire collages vergelijkbare stijlen – die in de rococokamer zijn weelderig, in de romantische kamer zit een bloemetje achter de soldaatjes, in de moderne kamer is de collage vierkant. Maar wat wil ze ermee zeggen? Dat de westerse museale weelde via oorlog en bloedvergieten is verkregen? Haar bedoelingen blijven onduidelijk.

Het lijkt of Ferrand met deze decoratieve aanpak de legers onschadelijk maakt. Dat decoratieve sluit aan bij een andere serie die ze exposeert: assemblages van landkaarten en garenklosjes. Een vrouwelijk hobbyisme dit keer: textielwerk. De afstanden in titels als ‘Kanalen van Venetië, 43 km’ corresponderen met de hoeveelheid garen op de klosjes in elk werk.

Zoals volwassen kerels met Prittstift en hobbykarton zich in een echte veldslag kunnen wanen, zo is textielkunst ook vaak een symbool voor dagdromen tegen de sleur. Op foto’s van bergen, de oceaan en de lucht plakte Ferrand garenklosjes met tien kilometer draad. Dit gaat over reizen waarvoor de mens zichzelf moet overtreffen. En zo raakt Ferrand toch nog aan iets universeels: het verlangen naar afstanden, daden, overwinningen. Dat heeft ze niet van een vreemde.