In elk van ons schuilt een Pippi

De wereld wordt steeds kleiner, maar er blijven altijd plekken over waar bijna niemand komt.Vandaag het laatste deel, nummer VIII, van de zomerserie ‘imaginaire bestemmingen’: het Taka-Tukaland van Astrid (Pippi) Lindgren

Tekening van Peter van Dongen Dongen, Peter van

Deze gids neemt de lezer mee op een lange boottocht naar een onbekend, geheimzinnig en angstaanjagend land ver buiten de beschaafde wereld, waar een blanke man met harde hand heerst over de inheemse bevolking. Aanvankelijk lijkt de reisbestemming middenin de wildernis het totale tegendeel van de westerse beschaving, maar gaandeweg blijkt hoe moeilijk het is om het – schijnbaar vanzelfsprekende – onderscheid tussen beschaving en barbarij, tussen wet en misdaad te handhaven. In de loop van het boek wordt duidelijk dat de westerse beschavingsmissie weinig meer is dan een rooftocht voor inheemse grondstoffen. Daarmee worden ook de verhalen die de blanken over hun eigen land vertellen ontmaskerd als opschepperij of vrome leugens.

Het boek geeft echter geen duidelijk of gedetailleerd beeld van het land zelf. Blijkbaar heeft dat geen architectonische monumenten van belang: we treffen hier geen paleizen, tempels of musea, maar alleen het dreigende mysterie van het tropische regenwoud. Ook de religie van de lokale negerbevolking lijkt niet verder te gaan dan het vereren en bewonderen van de blanken in hun midden. Zelfs over hun taal en gewoonten komen we maar weinig te weten, behalve dat ze schaars gekleed of zelfs geheel naakt rondlopen, een gebroken variant van de taal der blanken spreken, en als ze de kans krijgen het liefst mensenvlees zouden eten. Overigens is dit boek vandaag de dag vooral bekend dankzij een nogal vrije verfilming, die het verhaal naar een heel ander werelddeel verplaatst, en allerlei oorlogshandelingen invoegt die in het origineel niet voorkomen.

Het ligt voor de hand te denken dat het hier om Joseph Conrads Heart of Darkness gaat, en om Francis Ford Coppola’s bewerking ervan in Apocalypse Now. Maar al is het bovenstaande daarop van toepassing, ik heb toch een andere klassieker uit de wereldliteratuur in gedachten, die – meer nog dan Conrads meesterwerk – door steeds nieuwe generaties met waardering en herkenning wordt gelezen. Beide boeken is trouwens verweten – niet geheel ten onrechte – dat ze berusten op achterhaalde, of zelfs ronduit racistische voorstellingen: beide lijken een heel werelddeel te reduceren tot slechts een decor voor de handelingen en obsessies van de westerlingen. Zo zwijgzaam en lijdzaam als de zwarte bevolking Conrads hoofdfiguren Marlow en Mr. Kurtz dient, zo nederig gedraagt de negerbevolking van Taka-Tukaland zich tegenover Pippi Langkous en haar vader Efraïm, die ze verwelkomen met de uitroep ‘Ussamkura, kussamkara!’ (‘Welkom thuis, dik, blank opperhoofd!’) – vrijwel de enige woorden in de lokale taal die in het boek opklinken.

De lezer is van zulke kritiek niet onder de indruk: in de zomermaanden heeft hij geen behoefte aan politieke correctheid. Ook al zou Conrads beeld van Afrika slechts een racistisch stereotype zijn, denkt hij, dan doet dat aan de literaire waarde van zijn werk niets af; ook herinnert hij zich de verklaring van Astrid Lindgrens erfgenamen dat de voorstellingen van negers in raffiarokjes weliswaar achterhaald maar niet racistisch zijn, omdat er destijds geen negers in Zweden leefden, en omdat Lindgrens werk sowieso tijdloze literatuur vormt.

Misschien heeft de lezer aan achterhaalde voorstellingen wel net zo’n sterke behoefte als aan luie strandvakanties. Of misschien zijn de literaire bestemmingen van Conrads Afrika en Lindgrens Taka- Tukaland geen stereotypen maar archetypen, die oerbeelden en primaire emoties uitdrukken. Enerzijds verbeelden ze onze vakantiedromen over een tijdelijke bevrijding uit het keurslijf van de beschaafde en geregelde wereld, waarin we worden bediend, bewonderd en aanbeden door een nog dicht bij de natuur staande lokale bevolking. Maar tegelijkertijd geven ze uiting aan onze diepste angsten – zoals de angst voor het onbekende, die sterker wordt met elke kilometer die je verder in het oerwoud doordringt – en aan onze fantasieën over menselijke wreedheid. De lezer geeft graag toe dat er in hem een speelse en onaangepaste Pippi schuilt. Maar onderkent hij ook de Mr Kurtz in zichzelf, die zich door zijn onderdanen als een halfgod laat vereren, en die beesten het liefst zou uitroeien?

Zo wordt bij de werkelijk literair-imaginaire bestemming de fantasie van een zonnig vakantieoord verstoord door de vage angst voor gruwelijk geweld. De magie van het oerwoud waaruit het geluid van trommels, dans en zang opstijgt is onlosmakelijk verbonden met de angst voor speren werpende kannibalen; het genot van onbespoten bananen, broodvruchten en kokosnoten wordt getemperd door de penetrante geur van rottend nijlpaardvlees. En hoort de lezer niet hoe vader Efraïm zachtjes ‘The horror! The horror!’ fluistert, terwijl de Kikkertje weer uit de haven van Taka-Tukaland wegvaart, met Pippi, Tommy en Annika aan boord?

Uiteindelijk keren de reizigers, en de lezers, terug naar huis. En wat blijkt? Ook Pippi’s winterse Zweden en Marlows Londen in de avondschemering zijn oorden van duisternis. Marlow concludeert pessimistisch dat de waarheid te gruwelijk is om aldaar aan Kurtz’ weduwe te vertellen. Van Pippi mag Villa Kakelbont best koud en donker zijn, zolang je hart maar warm en licht is. Kortom, het literaire bezoek aan het barbaarse uiteinde van de wereld blijkt niets meer dan een verkenning van het onbekende en barbaarse in jezelf: de reis naar het hart der duisternis is ook een poging om het duister in je eigen hart te bezweren.

    • Michiel Leezenberg