Het gewone in de mens raakt mij

Tom America is popmuzikant en componist.

Halverwege zijn carrière koos hij voor een andere richting in de muziek.

Foto Mieke Meesen Meesen, Mieke

Dit interview moet je eigenlijk pas lezen als je voor een computer zit. Want als je echt wilt begrijpen waar het gesprek over gaat, is het beter eerst te luisteren naar wat geluidsfragmenten.

Ga voor die fragmenten naar www.nrcnext/links

Tom America (59) heeft veel muziek gemaakt in zijn leven. Hij speelde in bands als MstrubietM, Gasphetti en MAM. Veel van die muziek is vergeten. Maar het lied over de boterham met kaas geniet nog steeds een zekere bekendheid. De tekst luidt:

(Tom America:) ‘Mam, weet jij nog wanneer ik voor het eerst een boterham met kaas gegeten heb?’

(Zijn moeder:) ‘Nou, dat is moeilijk te zeggen wanneer je dat precies gegeten hebt. Ik denk dat je toen een jaar of drie was. Toen je bij opa en oma gelogeerd was. Toen Carlo geboren is.’

De vrolijke, lichte muziek van het lied volgt de toon en het ritme van de stemmen, beide met een zuidelijke tongval. De tekst wordt een paar keer herhaald. Ook dit lied is te beluisteren via nrcnext/links.

Tom America componeerde het nummer in 1986. Hij wilde een lied maken over moederschap en zocht een metafoor. Een boterham met kaas leek voor de hand te liggen: alleen je moeder weet wanneer jij voor het eerst een boterham met kaas at en hoe lekker je dat meteen vond.

Het was het uncoolste lied dat hij ooit had gemaakt. En het duurde tot 1997 voordat hij weer zoiets durfde. In dat jaar kwam de cd ‘tjielp, tjielp, Tom America zingt Jan Hanlo’ uit. Jan Hanlo (1912-1969) is de maker van parlando-achtige gedichten. Zoals het gedicht De Mus, dat alleen bestaat uit twintig keer het woord tjielp, afgesloten met het woord etcetera. Het titelnummer van de cd fungeerde als tune van Van Kooten en de Bie’s Keek op de Week.

Sindsdien volgt het ene muzikale project op het andere. Steeds gaat Tom America daarvoor met mensen praten over een onderwerp dat hen na aan het hart ligt: de seizoenen (Tilburg, zijn woonplaats), water (Amsterdam), meeuwen (Dover en Oostende), een fresco (Siena, Italië), een vliegveld (Tempelhof, Berlijn). Vaak zijn het gesprekken met mensen die in volksbuurten wonen. Alle gesprekken neemt hij op. Vervolgens zet hij met hulp van een sampler (een muziekinstrument dat geluiden opwekt uit digitaal afgespeelde geluidsfragmenten) woorden, zinnen en flarden uit de gesprekken op muziek.

Hoe kwam u erbij om van gesprekken met gewone mensen over gewone dingen muziek te maken?

„Raar, hè. Teruggeredeneerd ben ik denk ik altijd geïnteresseerd geweest in het eenvoudige. Hoe gewoner mensen zijn, hoe minder filters er zitten in het contact dat je met ze hebt. En hoe minder filters hoe beter. Dan kom je makkelijker bij wat hen beweegt. Bij hun ziel. Niet dat ik dat wist toen ik vijfentwintig was. Dit is reconstructie. Maar ik droeg het wel altijd in me. Ik las op mijn zestiende voor het eerst een gedicht van Jan Hanlo, ik noem je bloemen etc. Het pakte me meteen. Ik was ontroerd. En verbaasd.”

Wat raakte u dan?

„Ik denk ... de kern van poëzie is dat er even iets gaat zweven. Dus: je leidt je leven, je bent er nu eenmaal in geworpen en je probeert het zo’n beetje uit te zoeken. En opeens is er dan even een moment dat dat leven zin heeft. Dat je het beaamt. Dat je zegt: dit is het, zo is het goed.”

Die momenten zoekt u?

„Vroeger niet, hoor. Ik was altijd met popmuziek bezig. Op een podium staan, beetje herrie maken, aandacht krijgen – dat vond ik leuk. Je zit in een bepaald patroon, maar tegelijk heb je de behoefte daaruit te breken. Op een gegeven moment denk je: hoe moet ik nu verder, wat mag ik nog betekenen. En toen ik halverwege de veertig was, kwam het opeens terug. Ik dacht: die gedichten vond ik toch goed, indertijd. Nu weet ik dat het al die tijd een ader in mij was. Het naïeve en het ongewapende, dat trekt mij. Als ik voor mijn muziekstukken met mensen praat, zit ik regelmatig met kippevel. Die mensen vertellen dan iets in een platte taal, maar je weet: in hun woorden zit een enorme lading.”

Was u niet bang om uitgelachen te worden, toen u deze kant koos?

„Natuurlijk. Ik heb twee jaar lang gewerkt aan tjielp, tjielp, in een soort roes. En toen ik klaar was dacht ik: nu krijg ik een dreun, dit vindt niemand goed. Maar gek genoeg werd de cd positief ontvangen. Ik had een goede keus gemaakt. En vanaf dat moment begon zich iets te vertonen van: gewone dingen en gewone mensen, daar moet ik wat mee. Maar zo’n keus is niet rationeel. Je doet het omdat je het moet doen. En je weet niet waar het toe zal leiden.”

Hoe krijgt u mensen aan het praten?

„Heel makkelijk eigenlijk. Maar ik praat natuurlijk ook niet over grote dingen. Ik praat juist over kleine dingen. Wie praat er nou over meeuwen. Maar die meeuwen zijn een aanleiding. Voor ‘méwen/seagulls’ ben ik naar Oostende en Dover gegaan. Ik zocht antwoord op de vraag: wat is het andere in jou. Want die twee steden liggen dan wel in verschillende landen, maar eigenlijk horen ze bij elkaar – de mensen die er wonen zijn buren. In Dover zeiden ze: they poop on my dad’s car. Ze vonden de meeuwen vies en lastig. De inwoners van Oostende vonden: de mèwe is a fiere biste. Zij genoten juist van die schavuit. Ik praatte er met mensen uit de vissersbuurt. Mensen die een hard leven hebben geleid. We begonnen over meeuwen, maar het ging al snel over leven en dood. Daar hoefde ik helemaal niet naar te vragen, dat kwam gewoon naar boven. Er was een oud dametje, dat praatte maar en dat praatte maar. Ik had mijn recorder al uit, maar ik heb hem weer aangezet. Ze zei: en als er dan weer zo’n zat vissertje voorbijkwam dan zeiden de mensen: daar heb je weer zo’n dronkelap. Maar, zei ze: dat vissertje moest morgen wel weer de zee op, hè. ‘En komt-ie dan weere? Wij weten het nie hè’. Daar krijg je kippevel van. Uiteindelijk is dat fragment de finale van het stuk geworden.”

Hoe weet u dat uw eigen kippevel over zal komen bij wie naar uw muziek luistert?

„Dat weet ik niet. Wat ik doe staat haaks op bepaalde theorieën: dat het moet communiceren, dat mensen zich ermee kunnen identificeren – wat je in de populaire muziek heel extreem hebt. Wat ik doe gaat juist de andere kant op. Ik presenteer dingen die jij niet kent. En ik maak het ons allebei moeilijk. Voor Noord, mijn laatste project, heb ik veertig interviews gehouden in Tilburg-Noord. Alle interviews die ik heb opgenomen schrijf ik uit. Anders vind ik niet wat ik zoek, de zinnen die ertoe doen. En dan moet ik de muziek dus nog maken. Ik weet ook nooit zeker of ik de juiste fragmenten gekozen heb. En ik weet ook niet of ik ga communiceren met jou. Maar wat weet je nou eigenlijk. Je doet gewoon je best. En je hoopt dat jouw kippevel ook ergens anders terechtkomt.”

U weet nu wat u mag betekenen?

„Dat is een heel ernstige vraag en ja, daar heb ik nu een antwoord op. Wat ik de afgelopen tien jaar heb gedaan is mijn vorm, het pad dat ik zal blijven volgen. De dingen zijn samengekomen. Ik weet nu wat ik wil laten zien. Ik wil laten zien dat als de mens in zijn goeie draai zit, hij best oké is. ‘Eigenlijk zijn mensen leuke dingen’, zei Jan Hanlo. Die inspiratie is mijn rode draad geworden.”

Lees meer over Noord op www.domeinnoord.nl. Op 30 augustus gaat in Heerlen Mijn/Koel in première, over ex-mijnwerkers. Mijn/Koel is een stuk voor 2 acteurs, 1 muzikant, door Tom America op muziek gezette gespreksfragmenten en film van Rob Moonen. Zie www.mijnkoel.nl