Fonds oordeelt over bedrijven

NieuwsanalyseGisteren ging de bezem door de podiumkunsten, met als slachtoffer eminente kunstenaars. Zij beheersen het jargon der kunstpolitiek onvoldoende.

Toneelregisseur Theu Boermans versprak zich veelbetekenend gisteravond in het acht uur journaal. Gevraagd naar een reactie op de subsidiestop van zijn Theatercompagnie, zei hij: „Ik ben woedend en verbijsterd over dit advies.”

Maar helaas, meneer Boermans, het is geen advies, het is een vrijwel onherroepelijk besluit. Boermans is nog niet gewend aan het nieuwe kunstjargon. Een subsidieadvies; zo ging het in het oude subsidiestelsel. De Raad voor Cultuur gaf een advies, dat de minister dan wel of niet opvolgde, eventueel hiertoe aangezet door de Tweede Kamer. Minister en Kamer willen dat niet meer. Daarom hebben ze het ‘superfonds’ NFPK opgericht, dat vrij de bezem door de subsidies haalt.

Dat afschuiven van macht is merkwaardig en uiteindelijk schijn. Natuurlijk kan de minister nog steeds het fonds opzij schuiven, en zelf bepalen dat de Theatercompagnie wel degelijk geld moet krijgen. Hij blijft eindverantwoordelijk, of hij het geld nu zelf uitdeelt of dat aan een fonds overlaat. Dat is zijn werk.

Wel heeft deze afschuifoperatie voor een doorbraak gezorgd die allang nodig was. Met de strijdkreet „meer voor minder” heeft het fonds een einde gemaakt aan de versnippering van een krap subsidiebudget onder steeds meer groepjes. Ook is de beruchte kaasschaaf (iedereen een beetje minder) eindelijk eens in de la gebleven. Vele ensembles en gezelschappen krijgen veel meer geld, en vele talentrijke kunstenaars krijgen een kans.

Opmerkelijk is de nadruk op niet-artistieke criteria, als cultureel ondernemerschap (zelf geld verdienen) en publieksbereik. Lawson zei dat de subsidies niet zozeer naar kunstenaars gaan, maar naar „bedrijven met een bedrijfsplan”. Veel groepen zijn afgerekend op een slecht beleidsplan. Maar kunstenaars moeten mooie kunst maken, geen mooie plannen. Vooral in het geval van eminente musici en theatermakers die nu geen geld, of veel minder krijgen – Ton Koopman, Reinbert de Leeuw, Willem Breuker, Ton Simons en Theu Boermans – is dat pijnlijk en onverdiend. Die zouden moeten worden gemeten naar hun staat van dienst, niet naar hun administratieve vaardigheid.

Ton Koopman is al lang vertrouwd met het nieuwe jargon van het kunstbeleid. Hij gaat er prat op het ‘cultureel ondernemerschap’ zelf te hebben uitgevonden. Nu wordt hem verweten dat hij een zwak cultureel ondernemer is. Zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, dat 85 procent van zijn budget zelf verdient, krijgt geen subsidie meer, ook omdat het „te weinig onderscheidend” is. Buiten de Haagse vergaderkamers wordt daarover anders gedacht. De rest van de wereld vindt Koopman wereldberoemd.

Koopman heeft bewezen een echte koopman in muziek te zijn. Toen het Franse label Erato stopte met zijn complete Bach op cd, richtte hij zijn eigen platenlabel op. Antoine Marchand, de Franse vertaling van Ton Koopman. Hij kent dus de economische nieuwspraak van het kunstbeleid.

    • Wilfred Takken
    • Kasper Jansen