‘Er zijn simpele regels voor reanimatie’

Hoogleraar Miel Ribbe is niet verrast door de ophef die er deze week ontstond over het reanimatiebeleid in verpleeghuizen. „Dit hoort bij goed beleid maken.”

Hoogleraar Miel Ribbe Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Miel Ribbe hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde aan het VUmc in Amsterdam Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 19-08-2008 Boyer, Maurice

Miel Ribbe heeft drie gouden regels voor het reanimatiebeleid in verpleeg- en verzorgingshuizen. Wie die toepast, zegt hij, voorkomt de problemen die het Amersfoortse St. Pieters en Bloklands Gasthuis eerder deze week over zich afriep.

Ribbe is hoogleraar verpleeghuisgeneeskunde aan het VUmc in Amsterdam. Zijn regels schrijven voor dat verpleeg- en verzorgingshuizen duidelijke voorlichting geven over het beleid zonder de patiënt te sturen in de te maken keuze. Verder moet er goede reanimatieapparatuur zijn. En hulpverleners moeten het protocol voor reanimatie kennen en erin getraind worden. „Wat uiteindelijk wordt afgesproken over reanimatie, is een zaak tussen de arts en patiënt”, zegt Ribbe. „Maken artsen deze afspraken niet, dan gaat het management op de stoel van de dokter zitten.”

Simpeler, zegt Ribbe, kan hij het niet maken. Wat hem betreft is hiermee meteen duidelijk welke fout het St. Pieters en Bloklands Gasthuis gemaakt heeft. Dat verzorgingshuis vermeldde in een brochure dat de risico’s van reanimatie toenemen bij mensen boven de 70 jaar. „Je moet wel wijzen op de beperkte kansen op een succesvolle reanimatie. Maar je moet daar in algemene voorlichtingsbrochures nooit een leeftijd aan verbinden. Dat moet je aan een huisarts overlaten die met een patiënt zijn specifieke situatie bespreekt en op maat gemaakte afspraken vastlegt.”

Is het normaal dat verzorgingshuizen afspraken maken over reanimatie van patiënten?

„Ja, dat volgt uit de wet. Daarin is vastgelegd dat medisch handelen alleen met instemming van de patiënt mag gebeuren. In verpleeg- en verzorgingshuizen heb je te maken met mensen die vaak ernstige gezondheidsproblemen hebben. Dan is het belangrijk dat met de bewoner afspraken worden gemaakt over reanimatie.”

Hoe werkt dat in de praktijk?

„Op het moment dat een bewoner in een verzorgingshuis of in een verpleeghuis wordt opgenomen, wordt er een zogeheten zorgplan opgesteld in overleg met de bewoner. Daarin worden tal van afspraken gemaakt die te maken hebben met de verzorging. Daarbij gaat het over zaken als medicijngebruik, voeding en zoiets als reanimatie.”

Gaat dit overal op dezelfde manier?

„Nee. Er is een belangrijk verschil tussen verpleeg- en verzorgingshuizen. Omdat de medische toestand van patiënten in verpleeghuizen veel slechter is, heeft elk verpleeghuis zijn eigen arts. Die kan dus met de patiënt direct afspraken maken over bijvoorbeeld reanimatie. Voor patiënten die in een verzorgingshuis komen, geldt dat niet. Zij houden in het algemeen hun eigen huisarts. Dat betekent dat een directie van een verzorgingshuis erop moet toezien dat bewoners dit soort zaken met hun eigen huisarts bespreken en vastleggen. Anders bestaat er een redelijk groot risico dat het verzorgende personeel medische afwegingen moet maken waar het niet gekwalificeerd voor is.”

De directie van het in opspraak geraakte verzorgingshuis in Amersfoort heeft met zijn reanimatiebeleid dus goed gehandeld?

„Ik vind van wel. De directie moet zorgen dat er duidelijkheid is. Al heeft men met het noemen van de leeftijdsgrens van 70 jaar onbedoeld veel verwarring teweeggebracht. Maar nog veel zorgelijker zijn verzorgingstehuizen waar geen beleid bestaat. Dan laat je de keuze of iemand bijvoorbeeld gereanimeerd moet worden aan het toeval over.”

Wat vindt u van de regel ‘nee, tenzij’ als het gaat om reanimatie voor bewoners van verzorgingshuizen?

„‘Nee, tenzij’ is op zich wel te verdedigen. Het is in veel gevallen wel duidelijk wanneer je wel of niet moet reanimeren. Een terminale kankerpatiënt op hoge leeftijd die een hartstilstand krijgt, zal je niet reanimeren. Een patiënt die in een verpleeg- of verzorgingshuis komt revalideren na een heupoperatie zal je wel reanimeren. Ik kan dus wel leven met het ‘nee, tenzij’-principe zoals dat door de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen wordt gehanteerd. Maar persoonlijk ben ik een voorstander van het ‘ja, tenzij-principe’. Dat uitgangspunt dwingt artsen namelijk tot een actievere opstelling. En dat is belangrijk bij deze problematiek. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid van de arts benadrukt bij het opstellen en actueel houden van het zorgbeleid van zijn patiënt.”

De Vereniging van Verpleeghuisartsen steunt het Amersfoortse verpleeghuis en vindt dat alle verzorgingshuizen een reanimatiebeleid moeten opstellen. Waar komt toch al die commotie vandaan?

„Sinds de discussie over het versterven door ondervoeding of uitdroging van terminale patiënten, tien jaar geleden, is er terecht veel aandacht voor de kwaliteit van de zorg in verpleeg- en verzorgingshuizen. En door de vergrijzing hebben veel meer mensen ermee te maken. Kinderen van de bewoners die daar worden verzorgd zijn veel mondiger dan hun ouders. Als het hun niet bevalt, vragen ze aandacht voor hun positie. Desnoods via de media, zoals afgelopen week gebeurde. Dat hoort bij onze samenleving. De directies van verpleeg- en verzorgingshuizen moeten daarop voorbereid zijn.”

Wat vindt u van de rol van politici in affaires zoals deze week?

„Soms kun je vragen stellen bij de toon waarop politici reageren. Maar ik ben blij dat de politiek zich met dit onderwerp bezighoudt. Stel je voor dat het niet zo was. De discussie draagt bij aan het wegwerken van problemen in verpleeg- en verzorgingshuizen. Wat we echter niet moeten vergeten, is dat veel mensen in het buitenland Nederland als een rolmodel zien op het gebied van de verpleeghuiszorg. Bijna nergens ter wereld kent men bijvoorbeeld de speciaal opgeleide verpleeghuisarts.”

Wat zegt dat over de discussie over het reanimatiebeleid deze week?

„Het is goed dat dit soort kwesties in alle openheid besproken wordt. Alle commotie kan lastig zijn. Maar soms is dat nodig. Waar het om gaat, is dat alle verpleeghuizen een goed reanimatiebeleid van de grond krijgen. Daar zijn de bewoners en hun familie bij gebaat.”

    • Jan Meeus