De maan drijft op uw adem

In de net gepubliceerde keuze uit het werk van de Tsjech Miroslav Holub draait het om ontsporingen die mysterieuze ‘poëzie met gaten’ veroorzaken.

Miroslav Holub Foto Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Miroslav Holub: De geboorte van Sisyphus. Een keuze uit de gedichten en andere teksten 1958-1998. Samenstelling, vertaling en nawoord Jana Beranová. De Bezige Bij, 304 blz. € 34,90

Bericht in de krant van een tijdje geleden: sinds twee jaar controleert de rechtbank in Groningen bezoekers op wapens en op voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt. Het is geen overbodige maatregel. Het bericht meldt dat het afgelopen jaar 932 zakmessen in beslag werden genomen, 63 stanleymessen en 104 overige messen. En ook nog: 431 scharen, 70 schroevendraaiers, 152 nagelvijlen en 105 multi-tools. Wat de mensen allemaal niet bij zich hebben als ze naar de rechtbank gaan. ‘Eenmaal wilde iemand een zaag meenemen.’ Mooie droge notitie. Deze ook: ‘Ook werd eenmaal een ploertendoder aangetroffen.’ De mooiste zin moet dan nog komen. Ik schiet weer in de lach als ik hem lees: ‘Begin vorig jaar wilde een bezoeker met een hoefijzer naar binnen.’

Op zo’n moment schuift een ander soort werkelijkheid zich in de dorre feiten van een krantenbericht. Een hoefijzer! Het is bijgeloof, magisch denken, irrationeel gedrag – maar hoe voorstelbaar, en hoe ontroerend. Meteen tekent zich een mooie scène af, met bijvoorbeeld de nagelbijtende verloofde van een grote boef die terecht moet staan. De verloofde weet ook wel dat haar Harrie van alles op zijn kerfstok heeft, maar met een hoefijzer in het handtasje komt hij er vast met vrijspraak van af. Ander scenario: het hoefijzer is bedoeld voor het hoofd van de rechter. Of voor dat van Harrie zelf.

Het hoefijzermoment is zo’n moment waarop poëzie zich aandient. Ik weet nog steeds niet goed wat poëzie is, en ik ben dat in de loop der jaren ook een steeds minder interessante vraag gaan vinden, maar ik denk wel steeds vaker dat het wezen van poëzie bij dit soort scheve reacties op de bestaande werkelijkheid ligt.

Zou Miroslav Holub, 1923-1998, dichter uit het voormalige Tsjechoslowakije, volgens velen een van de grote internationale dichters van de laatste halve eeuw, poëzie schrijven? Ik weet het niet. Maar, zie boven, het interesseert me ook niet echt. Ik las in een nieuwe dikke bundel, De geboorte van Sisyphus, met een ruime keuze uit zijn werk, een ontroerend gedicht over wat er gebeurde ooit, in de oorlog, in Pilsen, in een huis aan de Stationsweg 26. Al die zakelijke gegevens staan in het gedicht vermeld, als in een feitelijk rapport, of een krantenbericht. Pilsen is de geboorteplaats van Holub. We lezen over een luchtaanval. En dat een vrouw toen, vijf minuten na die aanval, naar de derde verdieping van haar huis aan de Stationsweg klom ‘langs de trap die als enige overbleef / van het hele huis, / ze opende de deur/ die naar de hemel leidde, / verstijfde boven de afgrond.’

Ik citeer de woorden van het gedicht, in de vertaling van Jana Beranová, om te laten zien dat er niet veel poëzie zit in de formuleringen van Holub. Nuchtere toon, eenvoudige woordkeus. We zien voor ons hoe een vrouw vlak na het bombardement de trap opgaat, de deur opent en ziet dat de rest van haar huis weggeschoten is. Ze verstijft, ‘want hier eindigde de wereld’.

En dan voegt zich, net als in het krantenbericht over de Groningse rechtbank, een andere, magische werkelijkheid in het verhaal. De vrouw spring niet in wanhoop naar beneden. Ze rent niet in paniek de trap af. Ze blijft niet versteend staan. Ze sluit de deur goed af, ‘opdat niemand / Sirius / of Aldebaran / zou stelen uit hun keuken.’ In één keer is het perspectief veranderd. Het huis is een ander huis geworden. Het grenst nu aan de ruimte. Op de plek van de keuken bevindt zich nu de hemel. En de sterren Sirius en Aldebaran behoren tot de keukeninventaris. Bij het verlaten van de keuken de deur dus goed afsluiten, anders neemt iemand ze mee.

Ik kan ook wel bedenken dat deze vrouw in shock verkeert en daarom vreemd handelt. Maar dat staat nergens, en zo bekijkt Holub haar ook niet. En voor haarzelf is het natuurlijk ook niet zo. Zij handelt in haar nieuwe werkelijkheid volkomen logisch en kordaat. ‘Ze liep de trap af / en nam plaats / om te wachten / tot het huis zou herrijzen / en uit de as haar man zou opstaan / en uit de beentjes haar kinderen / zouden zijn gelijmd.’ Ik zou in haar plaats denk ik hetzelfde hebben gedaan: wachten op een wonder.

Holub beschrijft het allemaal rustig, op een vanzelfsprekende toon. Hij laat deze irrationele wereld tot het einde bestaan: ‘’s Morgens vonden ze haar / versteend. / Mussen pikten uit haar handen.’ De formulering laat in het midden of deze vrouw de volgende ochtend volkomen verstijfd is van de kou, of misschien zelfs wel dood – en in beide gevallen kan het ook nog om dichterlijke beeldspraak gaan: ze is als een standbeeld waar vogels op neerstrijken.

Is dit nu een gedicht? Of is dit een sober beschreven anekdote, in korte regels proza, in stukken gehakt en onder elkaar gezet, zonder rijm of ritme? Voor de zoveelste keer vraag ik het me af, en voor de zoveelste keer denk ik dat het antwoord er niet veel toe doet. Het verhaal over de vrouw raakt me niet vanwege de vorm of de formulering, maar vanwege het lukrake inzicht in een heel andere werkelijkheid die vlak naast de normale ligt, en die als het moet heel snel de plaats van de normale werkelijkheid kan innemen – of het nu gaat om een vrouw lang geleden in Pilsen, of een bezoekster onlangs aan de rechtbank in Groningen.

Om dit soort ontsporingen gaat het vaak in de poëzie van Holub: plekken waar de zogenaamde werkelijkheid even wegglijdt en plaats maakt voor een andere dimensie, of verdieping, of verbreding. Je kunt het ook religie noemen. ‘God zit in het detail’ is een kenmerkende regel van Holub, uit een van zijn latere gedichten. Overal kan zich een nieuw universum ophouden. In een van zijn vroegere gedichten wist hij al dat zich onder de microscoop hele werelden ophouden: ‘Ook hier zijn maanlandschappen, / dromend, verlaten. / Ook hier zijn horden / die te velde trekken. / En cellen, strijders, / die hun leven geven / voor een zier.’

Holub was behalve dichter ook een gewaardeerd immunoloog. Hij keek graag met een wetenschappelijke blik naar de wereld, en vanuit verschillende perspectieven. Bij zulk soort afstandelijkheid hoort droge waarneming en droge humor. Als het gaat over Lucy, een Australopithecus afarensis, de voorloper van de mens, die drie miljoen jaar geleden leefde, wil Holub zich graag voorstellen hoe er over drie miljoen jaar op ons neergekeken wordt: ‘Misschien vinden ze ons, / als er échte mensen zijn.’ Vanuit dat toekomstige perspectief zijn wij natuurlijk nog lang geen echte mensen, alleen maar slecht ontwikkelde voorlopers.

Als het alleen maar om dit soort gedachte-experimenten zou gaan, zou je Holub ook wel een columnist, of essayist, of prozaschrijver kunnen noemen. Maar daarvoor zit er toch te veel dichterlijkheid in zijn aanpak, en is er te veel afwisseling van logica en lyriek. Soms zit de poëzie bij Holub in een verbluffend beeld. Zie de beschrijving van een vuur dat langzaam over houtblokken loopt en dan ineens begint op te vlammen: ‘het vond zijn taal / in een oude brief / van mama.’ Of in vreemde surrealistische verbeeldingen, bijvoorbeeld van een wereld van glas, met mensen en gebouwen van glas, en nog meer: ‘op het kasteel verblijft / een zestigtal glazen robots.’ In dezelfde categorie, en dan nog iets absurdistischer, hoort het jonge hert thuis, ‘een tienerhert’, dat ooit is neergeschoten en nu ’s nachts door de gangen van een slot komt spoken. Het ‘zoekt tussen de trofeeën zijn hoofd’.

Steeds ligt er een ander soort werkelijkheid op de loer. In het gedicht ‘Achter het huis’ vindt de dichter achter het huis ‘een step, wijs geworden door de tijd’. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Maar hij vindt daar ook, veel geheimzinniger, ‘aan de waslijn een wolkje muffe adem’. En ook ‘stikstofoxide’ en een ‘druppel bloed’. En in de schuur ‘op één hoop / schillen, peulenschillen, geschillen / en engelen’. Dat is al bijna een symbool voor de reikwijdte van Holubs poëzie en voor het gemak waarmee zichtbare en onzichtbare werkelijkheid, wetenschap en religie hier in elkaar overvloeien: schillen en engelen, op één hoop, in de schuur in de achtertuin.

Ik weet niet of dat voldoende ‘poëzie’ is om iemand een goede dichter te vinden. Ik kan me voorstellen dat veel mensen niet goed raad weten met deze losse gedichten, die ook wel eens de vorm van een goeie grap aannemen, of van een absurd sprookje, of van een lyrische bevlieging. Ik vind het moeilijk er iets overkoepelends over te zeggen, en ik zou niet goed weten met welke Nederlandstalige dichters je hem zou moeten vergelijken. Leo Vroman, Frank Koenegracht, Hans Faverey, K. Schippers, Gerrit Krol, Bergman – van alles wat. Poëzie met gaten – misschien is dat nog wel de beste omschrijving. Gaten in de waarneming. Gaten tussen de verschillende onderdelen van een gedicht en gaten tussen de verschillende gedichten. Gaten waardoor zich steeds andere werkelijkheden kunnen aandienen, of omgekeerd: waardoor steeds ontsnapping naar een andere wereld mogelijk is.

In een stemmig gedicht als ‘Nacht in de straten’ loopt Holub ’s nachts door de stad. ‘Uit de dierenwinkel klinkt vogelgezang.’ Dat kan. Hij voelt ‘de huizen groeien’. Volgens mij kan dat ook. ‘Enkele bakstenen verlaten de kathedraal.’ Als je het leest, zie je ze al voorzichtig op pad gaan. Zo’n soort gedicht is dat – een gedicht waarin de maan aan de hemel getild kan worden. Niemand weet dat dat kan, want de meeste mensen liggen ’s nachts allemaal rustig te slapen en te ademen. ‘Op de adem van miljoenen drijft de maan.’ Alleen wij weten dat nu.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Holub

In het kader bij De ‘poëzie met gaten’ van Miroslav Holub (Boeken, 22 augustus, pag. 2) wordt de Praagse Lente gesitueerd in 1998. Die was in 1968.

    • Guus Middag