Concert

Op vakantie in stille gebieden en stille dorpen vraag ik me vaak af hoe het zou zijn om daar altijd te leven, tot de dood erop volgt. Er gaat een grote bekoring van uit, althans in de uren dat je er als passant bent, maar blijft dat zo, wordt het leven er niet eerder vervelend door het gebrek aan gebeurtenissen en is het niet benauwend om altijd maar weer diezelfde mensen te zien?

Allemaal gedachten die ook weer bij me opkwamen toen ik met mijn vrouw op een mooie avond in juli voor de ingang van het fraaie middeleeuwse hervormde kerkje van Cadzand-Dorp stond te wachten. Er zou een klassiek concert worden gegeven en omdat het een half uur voor aanvang nog zo stil was, vroegen we ons even af of wij de enige bezoekers zouden blijven. Het was niet te hopen, omdat je dan als toehoorder bijna verlamd raakt door een verzengende plaatsvervangende schaamte.

Maar opeens was het alsof het halve dorp leegstroomde, uit alle straten en straatjes haastte men zich naar de kerk, die spoedig bomvol zat. Dat zou in een grote stad minder gemakkelijk gelukt zijn, want de musici waren nog niet erg bekend en de voorpubliciteit was beperkt geweest.

Er sprak een soort culturele honger uit die weldadig aandeed. Nu begreep ik waarom schrijvers bij optredens ‘in de provincie’ vaak meer publiek krijgen dan in de grote steden. Nooit zal ik een optreden van Harry Mulisch vergeten, een jaar of tien geleden in een zaal in De Balie in Amsterdam, die nog niet voor de helft gevuld was.

Voor de jonge musici die er optraden, moet het geweest zijn alsof ze in een warm bad plaatsnamen – al die aandacht en concentratie bij de toehoorders, die zich twee uur lang geen kuchje, laat staan een bulderende hoest lieten ontsnappen.

Ach, had die arme Alfred Brendel, die zich altijd zo beklaagt over het blaffende Concertgebouwpubliek van Amsterdam, dat op zijn oude dag nog eens mogen meemaken.

De musici waren drie jonge vrouwen: Janneke Schaareman, mezzosopraan, Cathelijne Maat, pianiste, en Merlijn Lamers, violiste – allen afgestudeerd aan het conservatorium van Arnhem. Ze voerden werk van Spohr, Schumann, Ravel en Saint-Saëns uit. Mijn lekenoor vond vooral de zang van Janneke Schaareman, die veel met Cathelijne Maat optreedt, prachtig.

Gaat er wel genoeg subsidie naar zulke talenten toe? Ze zouden avond aan avond moeten kunnen optreden, van Cadzand tot Delfzijl, en alle grote steden die daartussen liggen.

Als u er heengaat, moet ik wel één belangrijk advies geven: ga niet op de eerste rij zitten. Dat was het enige waar ik die avond spijt van kreeg. Omdat we vroeg waren, hadden we ‘de beste plaatsen’, maar hoe best is een plaats waar je de musici zó dicht op de huid zit?

Je weet als toeschouwer op den duur niet meer waar je moet kijken. Janneke staat twee meter van je af en opent wagenwijd haar mond, maar je bent geen tandarts en je richt je blik liever op haar ogen. Maar ze doet haar werk en ze zit niet op oogcontact met wie dan ook te wachten, dus kun je beter naar de zoldering kijken.

Ik verliet de kerk met een stijve nek. Toch had ik genoten van een concert, waarvoor ik thuis niet uit mijn veel te luie stoel zou zijn opgestaan.

    • Frits Abrahams