Tsjechen hebben geleerd nek niet uit te steken

In ’68 maakten Sovjettanks een einde aan Praagse Lente.

Nu Moskou Georgië binnen valt, roept dit weinig emoties op. Het idealisme van Tsjechië is voorbij.

Boeken. De werkkamer van de Tsjechische schrijver Ivan Klíma, generatiegenoot van Václav Havel en een van de protagonisten van de Praagse Lente, is een lappendeken van kaften, alleen onderbroken door een kleine televisie. Op dat scherm zag Klíma (77) vorige week hoe vijf Midden-Europese presidenten – van Polen, de Baltische staten en Oekraïne – in Tbilisi hun steun betuigden aan het Georgische volk, nadat Russische tanks de kleine republiek in de Kaukasus waren binnengedrongen. „Dat was moedig”, zegt de schrijver.

Zijn eigen president, Václav Klaus, was opvallend afwezig, juist nu herdacht wordt hoe Sovjettanks op 21 augustus 1968, vandaag precies veertig jaar geleden, een eind maakten aan de Praagse Lente. De historische analogie is maar weinigen ontgaan. „Het is geen 1968 meer”, zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice vorige week tegen Rusland. De Georgische president Saakasjvili merkte op dat „de Russen altijd slecht lijken te doen in augustus”.

Terwijl Warschau meteen voor Georgië in de bres sprong, was het in Praag stil. Zijn de Tsjechen hun idealisme uit 1968 verloren? Ja, zegt socioloog Jan Urban. „Er is nu vrijheid, maar we weten nog steeds niet wat goed en wat slecht is. Ja, eigenbelang, consumeren – dat is goed.”

Urban ziet de Praagse Lente als een echte volksbeweging, maar de ‘normalisering’ na de Sovjetinvasie, toen de staatsterreur weer op volle toeren draaide, heeft diepe wonden geslagen. In de donkere jaren zeventig telde Tsjechoslowakije hooguit zestig geharde dissidenten en zeshonderd actieve medestanders. De rest conformeerde zich. In Polen was bijna de helft van de volwassen bevolking in die tijd betrokken bij Solidariteit.

„De Tsjechen hebben weinig geleerd van 1968 en de normalisering”, zegt Urban, die als 17-jarige de tanks van het Warschaupact in Praag zag binnenrollen. „Ze hebben één ding wel geleerd – dat het beter is om te zwijgen en te vergeten. Vooral niet je nek uitsteken. De wonden zitten veel dieper dan we dachten.”

Michal Musil, de jonge plaatsvervangend hoofdredacteur en commentator van de grootste krant Mladá fronta Dnes (vrij vertaald: Front van de hedendaagse jeugd), betwijfelt zelfs of de Tsjechen het verloren idealisme ooit hebben gehad. „Het draaide in 1968 niet echt om idealen. Ja, intellectuelen en hervormers in de Communistische Partij hadden idealen, maar de samenleving volgde.” En haakte weer af, toen het experiment van verlicht socialisme mislukte.

Tsjechen als eeuwige conformisten, die toen én nu de confrontatie met Moskou niet aandurven. Het is een beeld waarmee Ivan Klíma het oneens is. „Er was ook na 1968 nog steeds veel verzet, met illegale concerten en illegale boekpublicaties (samizdat)”, zegt hij. „En gewone burgers liepen veel meer gevaar dan bekende dissidenten, die konden rekenen op internationale media-aandacht.”

De Tsjechen, zegt hij, zijn stille helden. De Polen hebben meer zelfvertrouwen, wonen in een groter land, vinden steun in het katholicisme. De niet-religieuze Tsjechen zijn existentialisten, somberder en minder uitgesproken, maar daarom nog niet laf. Zijn kinderen konden na 1968, toen Klíma als publieke vijand werd gebrandmerkt, toch nog naar school. „Dankzij hulp van gewone mensen.”

Dat Klaus niet in Tbilisi was, vond Klíma teleurstellend maar niet verbazingwekkend. De Tsjechische president zwemt vaker tegen de stroom in. Eerder noemde hij het broeikaseffect een verzinsel van gevaarlijke milieufundamentalisten. Klaus voerde ook een eenzaam protest in de Europese Unie toen Kosovo zich in februari van Servië afscheidde.

En ook nu vertolkt hij in Midden-Europa een afwijkende mening, door Georgië aan te wijzen als hoofdschuldige van het conflict met Rusland. Het westen, zo zegt de president, heeft het onheil in de Kaukasus zelf over zich afgeroepen door, tegen de wil van Rusland, Kosovo te erkennen. Georgië als een koekje van eigen deeg. „Klaus is origineel”, zegt Klíma met een lachje.

De rechts-liberale regering van Mirek Topolánek was wel kritisch over Ruslands optreden in Georgië, maar volgens Urban vertegenwoordigt Klaus de tijdsgeest beter. „Hij is een belangrijke trendsetter, een kroegidool.” En wat betreft de socioloog niet de uitzondering maar de norm. Klaus leidde onder het communisme een overwegend grijs bestaan, zijn kleurrijke commentaar op de wereld kwam pas later, na 1989.

Volgens Urban is de neiging naar conformisme versterkt doordat er na de fluwelen revolutie nauwelijks is afgerekend met het totalitaire verleden. Onder het communisme zijn 240 mensen geëxecuteerd en telde het land een kwart miljoen politieke gevangenen, maar hierover zijn nauwelijks processen gevoerd. Dat is vragen om moreel verval, zegt hij.

Dat pragmatisme heeft voordelen: Praag is nog steeds de mooiste hoofdstad van Midden-Europa, Warschau de lelijkste, de stad werd tijdens de Opstand van Warschau in 1944 vernietigd. „Wij hebben nooit zo de wapens opgepakt”, zegt journalist Musil. „Ik begrijp de Poolse houding ten aanzien van Georgië heel goed. Wat Rusland nu doet schept een gevaarlijk precedent, los van de vraag wie het conflict is begonnen.”

Saakasjvili vergeleek de situatie in zijn land niet alleen met 1968, maar met nog een ander dramatisch hoofdstuk uit de Tsjechoslowaakse geschiedenis, het verdrag van München uit 1938, toen het Westen in ruil voor vrede Sudetenland opgaf aan Hitler.

Klíma ergert zich een beetje aan al die historische analogieën. „In 1938 zijn we echt verraden, onze militaire bondgenoten lieten ons vallen, en de Praagse Lente was van onze kant geweldloos. Dat kan Saakasjvili niet zeggen.”

    • Stéphane Alonso