Overnachten op ’t kerkhof van het verdwenen dorp Heveskes

De wildkampeerders fietsen in deze vijfde aflevering door de provincie Groningen, van Nieuw Statenzijl naar het afgebroken dorp Heveskes (34 km). De route leidt door het desolate industriegebied van Delfzijl.

In de luwte van het oude kerkje worden de tenten opgezet. Foto Matthijs Termeer Termeer, Matthijs

Op een broeierige avond zijn we onderweg naar de lege vlakte van de Eemshaven. De lucht wordt dreigend donker, de wind wakkert aan en we moeten nog 25 km. De route leidt door het industriegebied van Delfzijl. Geen levende ziel te bekennen. Er walmt rook uit de lange schoorstenen. Van alle kanten klinkt gesis, gepiep en gebonk. Een vijandige en onverschillige omgeving. Er klinkt nu ook een vreemd geknars van onderuit de fiets.

We speuren de omgeving af naar een slaapplek, hoewel kamperen tussen de petrochemische industrie niet onze voorkeur heeft. Dan doemt achter een paar hectare brakke grond, een kerkje op. We rijden het onverharde pad af, tillen de fietsen over het werkspoor voor de ingang en betreden het grasveld rond de kerk – voor het grootste deel keurig gemaaid.

Achter de kerk klinkt vogelgekwetter. Hier zijn we uit het zicht. Al is er ook dat besef: hieronder lagen of liggen doden. De twijfel om hier de tenten op te zetten wordt een paar seconden later weggenomen door de dikke regendruppels die op onze bagage petsen. Er valt niet meer te kiezen. Naast de kerk staat een bosje met een dichtbegroeid bladerdak waar onze fietsen kunnen schuilen. Voor iedere boom en op de lege plek in het midden ligt een berg stro.

Opeens houdt het op met regenen. Net tijd genoeg dus om de tenten op te zetten.We gebruiken het stro voor een zacht matras onder de tent. Dat heeft wel iets macabers: zo’n eenpersoonsbergje stro op een kerkhof. Zodra we zitten om groenten en kip te snijden voor onze maaltijd zetten muggen en dazen de aanval in. Ze steken dwars door broek en trui. Maar een fietser moet goed eten.We zitten weer in de buitenlucht, in het licht van fabriekslampen. Aan de hemel flitst en dondert het van alle kanten. Is het wel verstandig om een tent op nog geen meter van een bliksemafleider te zetten?

Na een paar uur trekt een harde windvlaag drie haringen uit de grond. De buitentent klappert.Op slippers en in hemd de regen in om de haringen weer diep in de harde grond te duwen. Ondanks het geluid van de industrie komt de slaap snel.

’s Ochtends stopt er een auto voor de kerk en de bestuurder komt op ons af. We denken dat we een preek krijgen. Dat we heiligschennis plegen, of dat zijn voorouders hier nog liggen. Maar hij kijkt naar naar onze fietsen tegen de kerk en de tenten op het kerkhof en zegt: „Mooi plekkie hè.”

Geert Pathuis is de sleutelbeheerder van de protestantse kerk en controleert of er geen dakgoten, regenpijpen of bliksemgeleiders zijn gestolen. „Koper hè”, zegt Pathuis, die ons verder bijpraat over deze plek. „Dit is het laatste wat over is van het dorpje Heveskes. Weggevaagd voor de industrie. Net als de dorpjes Oterdum en Weiwerd. Het is een schande. Deze kerk zouden ze ook willen slopen, maar het is beschermd gebied, dit is een wierde hè.”

Hij kan ons niet rondleiden, geen sleutel bij zich en hij moet weer weg en wij op zoek naar een fietsenmaker. Als alle bagage op de fietsen is gebondenstapt een man in oranje voetbalshirt het kerkhof op. Verweerde kop, stevige handdruk: Johannes Elderman. Hij troont ons mee naar de voorzijde van de kerk en vertelt over het weggevaagde dorpje Heveskes, ooit vijfhonderd inwoners. Hij is hier in 1948 geboren spreekt in staccato Noord-Gronings. „Dit is de Klinkelaan, ja. Hier lagen echte klinkertjes. Ik heb hier zes jaar school gehad, mán. Ik weet elk gaatje, elk grassprietje.”

Hij herinnert zich zijn oude woning: „Achter ons huis had je wel vijftig meter groen land en daarachter was een sloot, daar zwommen stekelbaarsjes. We hadden een grote tuin met eigen vruchten, bonen, eerappels, alles.” Wijst naar rechts en zegt: „Dáár stonden allemaal perenbomen”, en wijst dan naar links. „En daar stond het café, op zondag een zondagsschool. Dan kreeg je de smid Koster en aan deze kant van de weg, in het laatste huisje, woonde schoenlapper Bakker. Die was ook postbode.”

Op een kwade dag moesten ze plaatsmaken voor de industrie van Delfzijl. De familie Elderman verhuisde naar Weiwerd, een dorp verderop. „Na zeven jaar kregen mijn ouders bericht: het Waterschap had Weiwerd ook opgekocht. Dat moest ook weg. Toen zijn we weer een dorpje terugverhuisd naar Farmsum, in 1975. Daar woon ik nu nog.”

Maar Heveskes heeft hij nooit verlaten. Bijna elke dag komt hij even langs. Johannes Elderman gaat ferm staan en declameert zonder hapering een gedicht over de afbraak van zijn dorp Heveskes.

Johannes kijkt getergd naar de desolate vlakte. „We moesten in de jaren zestig weg en we leven nu in 2008 en er is nog steeds niets. Waarom moesten wij weg?” Het laat hem niet los. „Mijn broers en zussen hebben dat niet. ‘Wat wilst du dan?!’ zeggen ze tegen mij. Zeg ik ‘Eben kieken.’ Zij: ‘Der is niks meer te sain!’”

Dat zien ze verkeerd.