‘Oude makkers val je niet zomaar af’

Het woord ‘actieverleden’ klinkt als ‘oorlogsverleden’, zegt Maarten van Poelgeest. In de jaren 80 was hij actievoerder, nu is hij wethouder in Amsterdam. „Ik zit niet in de beklaagdenbank.”

Maarten van Poelgeest (GroenLinks) Foto Edwin van Eis Maarten van Poelgeest FOTO: Edwin van Eis Eis, Edwin van

Toen in 1986 een gemeenteraadslid voor de Centrumdemocraten zou worden geïnstalleerd, organiseerden linkse actievoerders een blokkade bij het stadhuis. „Met twintig studenten hebben we de nacht ervoor in ploegendiensten wacht gelopen. Blijkbaar letten we niet goed op, want de volgende dag bleek Ema Bouman toch binnen te zijn”, vertelt Maarten van Poelgeest.

De Amsterdamse wethouder voor GroenLinks heeft een ‘actieverleden’, zoals dat dezer dagen wordt aangeduid. „Dat klinkt als ‘die heeft een oorlogsverleden’, alsof er een vlekje aan je zit”, zegt hij. De voormalige studentenleider is net terug van de boekpresentatie van Duyvendak – „net een jarentachtigreünie” – en heeft zich daarvoor in de gemeenteraad moeten verantwoorden voor uitlatingen over buitenparlementaire acties (zie inzet). Nu praat hij over zijn eigen actieverleden: „Om rekenschap af te leggen over mijn jaren tachtig, een periode waarin ik van 15 jaar 25 jaar werd.”

Verantwoording wil hij het niet noemen: „Ik zit niet in de beklaagdenbank.” Toch lijkt met de commotie van nu het hele jarentachtigactivisme in de beklaagdenbank te zitten. „Er is een goed-foutdiscussie ontstaan, waarbij mensen die praten over hun actieverleden de kop wordt afgehakt.”

Wat is er aan de hand?

„Er is al lange tijd een rancuneuze onderstroom tegen links en linkse dogma’s. Dat is begonnen met de Fortuynrevolte, de opstand van de onderbuik. De agressie is echt onvoorstelbaar. Verder is er een verhyping van het nieuws, waardoor alles wordt opgeblazen. Een genuanceerde discussie over de betekenis van de jaren tachtig is onmogelijk.”

Zit in aard van die jaren niet ook een deel van de verklaring?

„Ja, het was een tijd met heftige confrontaties tussen politie en actievoerders. Bovendien speelde door het linkse engagement de ‘totalitaire verleiding’, het eigen gelijk stellen boven alles. In de jaren zeventig gebeurde dat vooral in onderlinge ideologische discussies. In de jaren tachtig leidde de totalitaire verleiding tot geweldsorgieën, doordat dit de jaren van de directe actie waren. Bij de rellen in de periode 1980-1982 speelde ook de strijd om de stad, tussen de jongeren die er waren komen wonen toen de stad leegliep, en de projectontwikkelaars en bestuurders die de huizen terug wilden.”

Van Poelgeest zat niet in de kraakbeweging, maar kreeg wel met radicale krakers te maken bij de gemeenschappelijke actie tegen het CD-raadslid. Met medestudenten bezocht hij een vergadering van de groep die de blokkade organiseerde. „Een onvriendelijke vergadering”, vertelt hij nu: „We waren het snel eens dat de actie geweldloos moest zijn. Maar de radicalen wilden een totale blokkade, wij niet. Zij wilden er een anti-parlementaire actie van maken, wij beslist niet.” Het pleit werd beslecht door een voorman van een Marokkaanse organisatie die zei: de studenten hebben gelijk.

Waarom hebben jullie niet meteen afstand genomen van de radicalen?

„We hadden een gemeenschappelijk doel. En we wilden niet dat de radicalen met de actie aan de haal zouden gaan.”

Had de geweldloze activist zich destijds niet duidelijker moeten distantiëren van de politieke tak van de kraakbeweging?

„Dat was emotioneel niet zo makkelijk, vermoed ik. In de kraakbeweging ontstond al gauw een scheiding tussen krakers die in overleg met stadbestuurders en buurtbewoners panden bewoonbaar maakten en legaliseerden en krakers die een politieke strijd voerden tegen de Staat en het bestel. Stel dat krakers samen een pand opbouwen en dan uit elkaar groeien, dan val je je oude strijdmakkers niet zo makkelijk af. Overigens is het politieke deel van de kraakbeweging al snel bewust geïsoleerd en was zijn rol rond 1985 feitelijk uitgespeeld.”

In 1985 bezetten studenten, onder wie Van Poelgeest, het ministerie van Onderwijs in Zoetermeer. „Het was gebouwd om studenten buiten de deur te houden, maar studenten in Delft hadden uitgevonden hoe de beveiliging in elkaar zat. Op de actiedag zijn dertig studenten naar binnen gegaan met nagemaakte toegangspassen. Ze waren verkleed als ambtenaar, compleet met jas en das, en moesten daar een halve dag doorbrengen. Ze liepen heen en weer en elke keer als ze de kans kregen, legden ze een metalen plaatje op een tochtdeur, om de veiligheidspennen te blokkeren. Toen we met 300 studenten aankwamen in bussen, maakten de studenten die binnen zaten de branddeuren open. De tochtdeuren konden niet in het slot vallen, zodat we het ministerie konden bezetten.”

Van Poelgeest kijkt er met plezier op terug: „Het was een leuke actie, een beetje een jongensverhaal. Maar tegenwoordig zou je het huisvredebreuk noemen, of in elk geval insluiping.”

Kan dit soort acties nu nog?

„De tijden zijn anders en ik zou zeggen dat symbolische acties nu beter passen. Spandoeken aan schoorstenen, zoals vroeger gebeurde, of plantjes neerzetten op braakliggende terreinen zoals nu veel gebeurt.”

    • Karel Berkhout