Herverdeling van subsidies ‘ingrijpend’

’Ingrijpend’ en ‘hard’. Het Fonds voor de Podiumkunsten gebruikt ferme woorden om zijn ingrijpende keuzes te onderbouwen: 59 groepen verliezen hun subsidie voor de periode 2009-2012.

Grootste verliezers in het theater zijn Theu Boermans’ Theatercompagnie en Ton Simons’ Dance Works. Het fonds beëindigt verder de subsidies van theatergroepen Suver Nuver, Frank Groothof, Wetten van Kepler, Growing Up in Public en Anouk van Dijk. Opmerkelijke nieuwkomers zijn: Lotte van den Berg, Boukje Schweigman, collectief Wunderbaum, Adelheid Roosen, het Volksoperahuis, de vrijwel onbekende poppenspeelster Ulrike Quade en het Curaçaose Teatro Luna Blou. Maatschappij Discordia, de 27 jaar oude theatergroep, die acht jaar geleden zijn subsidie verloor, krijgt nu weer wel steun.

Ook in de muzieksector vinden grote verschuivingen plaats. De subsidie van het Nederlands Kamerkoor (‘artistiek en zakelijk teleurstellend’, volgens het Fonds) wordt „in overleg” afgebouwd. Definitief geen subsidie krijgen het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir van Ton Koopman (‘niet langer onaantastbaar’), Dutch Jazz Orchestra, de Volharding, het Doelen Ensemble, het Willem Breuker Kollektief (‘niet langer onderscheidend’), het Jazz Orchestra of the Concertgebouw, het Ives Ensemble en het Mondriaan Kwartet. Het Asko/Schönberg Ensemble van Reinbert de Leeuw krijgt 1,5 miljoen, terwijl het bijna 3 miljoen euro vroeg. Het Fonds ziet te weinig visie en ondernemerschap. Het Ensemble heeft al aangekondigd tot in de hoogste instantie – dat is uiteindelijk de rechter – in beroep te zullen gaan.

Nieuwkomers zijn het Rubens Kwartet, het Matangi Kwartet, Holland Baroque Society, het Amstel Saxofoon Kwartet, Baraná, Dutch Jazz Competition, Kameroperahuis, Muziektheater Hollands Diep en het Liszt Concours.

Het Fonds heeft extra geld uitgetrokken voor subgenres die onderbedeeld worden in de Basisinfrastructuur (zie kader): muziektheater, beeldend locatietheater en het poppen- en objecttheater. Het fonds vindt dat de gezelschappen te beperkt werk maken van hun „cultureel ondernemerschap” (zelf geld verdienen) en van het bereiken van meer publiek. De nieuwelingen, stelt het Fonds, denken hier wel goed over na.