Heeelp!

Foto Roel Rozenburg Den Haag | Scheveningen: 12.3.2008 Storm aan zee. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Noordzee, naaktstrand, bloedheet en stervensdruk. Wij zetten onze brillen af en gaan zwemmen.

Als ik tot mijn middel in het water sta, hoor ik – dwars door het donderend geluid van de branding heen – een onaangenaam gebrul verderop uit zee.

Waarschijnlijk mannen die elkaar voor de grap onderduwen en dan schreeuwen alsof ze verzuipen. Toch klinkt het niet speels en het is aldoor dezelfde stem.

Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Misschien kan ik speelgenoten van de schreeuwer ontwaren, of een bal die heen en weer gegooid wordt. Maar het is te ver voor mijn bijziende ogen.

Aarzelend begin ik naar het geluid toe te zwemmen. Het brullen houdt aan. Ik ga sneller zwemmen, maar houd de schijn op alsof ik toevallig die richting op ga. Want ik hoor de badgasten al denken: Moet je háár zien! Overdreven ongerust! Een zenuwpees!

Weer knijp ik mijn ogen halfdicht. Ik zie maar één hoofd, geen speelgenoten. De man zal wel een grapje uithalen, want er zijn zoveel mensen op het strand en niemand was gealarmeerd. Ik moet niet altijd zo hyperalert reageren.

Maar als het druk is, verzuipen er altijd mensen. Dat weet ik toch? Waarom zou dat dan nu niet het geval zijn? Ach nee. En ik ben nog naakt ook. Hoe moet dat dan, als ik straks een spartelende vreemde kerel moet vastpakken?

Wanneer ik op drie meter afstand ben en nog steeds zijn gezicht niet goed kan onderscheiden, denk ik: als ik hem straks vastgrijp, zal je zien dat hij gaat lachen omdat hij mij gefopt heeft. En dan maar hopen dat niemand heeft gemerkt hoe ik er ingelopen ben!

Hij heeft mij niet gefopt. Hij grijpt mij met beide handen vast en trekt mij, door zijn gewicht, onder water. Even ben ik heel bang, maar ik kom weer boven en geef hem een enorme zet, richting strand. Doordat hij woest trappelt en wild met zijn armen slaat, blijft hij boven. Weer geef ik hem een zet.

Al gauw komt er hulp. Ook mijn partner bleek naar hem onderweg te zijn plus nog twee andere mensen. Met zijn vieren duwen we hem naar het droge.

Langs de rand van het water staan twee Turken in pak en stropdas. Ze huilen en strekken hun armen naar hem uit. Op van de spanning overdonderen ze hem met lawines van woorden die klinken als scheldkanonnades en geschreeuwde verwijten. De geredde lijkt niets te horen. Hij is sprakeloos. Leunend met zijn rug tegen de strandpaal, zakt hij langzaam door zijn knieën tot hij op het zand zit. Zijn ogen staren.

Mijn partner en ik willen weg van de zee. Onze handen beven zo, dat we geen knoopjes dicht krijgen. Achter de duinen eten we drie zakken patat, waarvan de helft op straat valt.

Monica Metz