Amerikaanse dumppraktijken

De Amerikanen kunnen het weer eens niet zonder Europa. Voor het eerst sinds jaren is de dollar aan een opmars bezig tegenover de euro. Ten opzichte van het dieptepunt maakte de Amerikaanse munt een inhaalslag van 10 procent (een euro kost nu bijna 1,48 dollar, tegenover ruim 1,60 een paar weken geleden). Maar voor die opleving is niet zozeer het Amerikaanse economische beleid verantwoordelijk, als wel de slechtere prestaties van de rest van de wereld en met name Europa.

Wat is er aan de hand? De sterkere koers van de dollar is op het eerste gezicht goed nieuws voor de VS. Het afgelopen jaar was de lage koers van de Amerikaanse munt weliswaar de kurk waarop de kwakkelende economie dreef (hogere export), maar het joeg de inflatie in de VS aan tot ongekende hoogte. Tegelijkertijd worstelde de eurozone met de dure euro (niet alleen ten opzichte van de dollar, maar ook van andere belangrijke valuta’s) omdat die de export juist duurder maakte. Omgekeerd kan een sterkere dollar de eurozone qua export wat lucht geven en tegelijkertijd de inflatie in de VS wat temperen.

Op de burelen van de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, zal de koersverschuiving met gejuich zijn ontvangen. Fed-baas Ben Bernanke komt dankzij de (tijdelijke) opleving met de schrik vrij, zo lijkt het. Als een recessie uitblijft en de inflatie inderdaad daalt, kan Bernanke met terugwerkende kracht claimen dat zijn reeks agressieve renteverlagingen van het afgelopen jaar effect hebben gesorteerd. Net op tijd, want met de rente op 2 procent, is er nauwelijks ruimte meer voor nieuwe verlagingen.

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan krijgt Jean-Claude Trichet van de Europese Centrale Bank het echter steeds zwaarder. De oplopende Europese inflatie maakt een verlaging van de rente onmogelijk, terwijl de stagnerende economie juist een zetje in de rug kan gebruiken. Hoe meer de ECB klem komt te zitten, des te hoger de koers van de dollar zal worden.

Analisten concluderen dan ook dat het recente herstel van de dollar vooral te danken is aan het feit dat de effecten van de kredietcrisis zich sneller en agressiever buiten de VS ontwikkelen dan was verwacht. Daarmee is de sterkere dollar eerder een teken van zwakte van de rest van de wereld (en een dalende olieprijs), dan van de kracht van of geloof in de Amerikaanse economie. De beruchte uitspraak van de Amerikaanse minister van Financiën John Connolly uit 1971 („De dollar is onze munt, maar jullie probleem”) doet nog steeds opgeld. Maar weet Bernanke dat dat ook betekent dat niet de VS, maar de rest van de wereld bepaalt of, en zo ja hoe lang, de dollar het herstel mag vasthouden?

Egbert Kalse

    • Egbert Kalse