Algerije: vijf bomaanslagen in twintig dagen

In Algerije volgt de ene bomaanslag op de andere.

Het geweld wordt toegeschreven aan de Noord-Afrikaanse tak van Al-Qaeda.

Op de zware zelfmoordaanslag van dinsdag op een politieschool in Issers ten oosten van Algiers (43 doden, 45 gewonden) is gistermorgen ten zuidoosten van de Algerijnse hoofdstad nog een dubbele bomaanslag gevolgd. Doelen waren een hotel en een legerkazerne in Bouira. Daarbij vielen volgens de Algerijnse autoriteiten zeker elf doden en 31 gewonden. Zondag werden elf politiemannen en militairen en een burger gedood in een hinderlaag in Skikda, verder oostwaarts aan de kust. Alle aanslagen en aanvallen worden toegeschreven aan Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb (AQIM).

Het is duidelijk dat het terroristisch geweld in Algerije het laatste jaar weer toeneemt, maar de autoriteiten bagatelliseren het gevaar ervan. Dinsdag zei minister van Binnenlandse Zaken Yazid Zerhouni bij een bezoek aan Issers dat het geweld het werk is van groepjes die onderling verdeeld zijn en overal door de veiligheidstroepen in het nauw worden gedreven. „Ze proberen commotie te veroorzaken, om zich te bewijzen door burgers aan te vallen”, zei hij volgens de Algerijnse krant La Tribune. Vorige maand zei hij dat deze groepen in totaal niet meer dan 300 tot 400 mensen tellen, inclusief „steunnetwerken”.

De leider van de Noord-Afrikaanse Al-Qaeda-tak, Abdelmalek Droukdel, verklaarde begin juli in een vraaggesprek met The New York Times dat hij beschikt over een „reusachtige inventaris aan manschappen, voldoende om onze vijanden te doen verliezen”. Deskundigen die in de Algerijnse pers en op internet worden aangehaald, schatten de aanhang van AQIM op dit moment op zo’n 1.000 man – lang niet genoeg om het bewind te verslaan maar wel voldoende voor een terreurcampagne.

Deze is in feite een overblijfsel van de bloedige machtsstrijd in de jaren 90 tussen radicale, en gaandeweg steeds radicalere moslimpartijen en het door de strijdkrachten gesteunde Algerijnse bewind. Zeker 150.000 mensen, maar waarschijnlijk veel meer, vonden daarbij de dood voor de veiligheidsdiensten in de tweede helft van de jaren 90 de opstand met veel geweld neersloegen.

In het kader van nationale verzoening bood de regering van president Bouteflika later amnestie dan wel strafvermindering aan moslimmilitanten die zich overgaven. Een kern van de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC) weigerde echter daarop in te gaan. De GSPC scheidde zich eind jaren 90 af van de Gewapende Islamitische Groep wegens haar tomeloze geweld tegen burgers. De GSPC verklaarde zich te beperken tot militaire doelen en buitenlandse belangen. In september 2006 werd de „gezegende unie” bekendgemaakt tussen het terreurnetwerk Al-Qaeda en de GSPC, en nog enkele Noord-Afrikaanse terreursplintergroepen.

In januari 2007 ging de fusiegroep Al-Qaeda-in-de-Islamitische-Maghreb heten. Op 11 april volgden de eerste grote aanslagen.

De alliantie met Al-Qaeda wordt doorgaans uitgelegd als poging van Droukdel en medestanders om met een wervende merknaam nieuwe aanhang te winnen voor de terreurgroep die door Bouteflika’s verzoeningspolitiek was verzwakt. In zijn vraaggesprek met The New York Times meldde Droukdel zelf dat eenheid kracht en de overwinning brengt.

Hij bestreed tegelijk de mededelingen van de regering dat bij de aanslagen voornamelijk burgers worden gedood. „We zijn niet krankzinnig. We doen onze uiterste best dat geen moslim wordt gekwetst.”

Zijn doel, vertelde hij, is het gebied te bevrijden van „die criminele regimes die hun religie en hun bevolking verraden” doordat ze regeren in naam van het „kolonialisme dat ons land in de laatste twee eeuwen is binnengedrongen”.

Terreurgeweld in Noord-Afrikaans land
    • Carolien Roelants