Zonder baan en vrienden in een ander land

Wat moet je als je partner naar het buitenland vertrekt? Speciale cursussen en netwerken helpen met het vinden van nieuw werk.

Met je partner mee overzee. Illustratie Flo Flo

Een baan in het buitenland is voor de ‘expatriate’ zelf een droom, maar kan voor de partner een nachtmerrie zijn. Je geeft voor de carrière van de ander niet alleen vrienden en familie, maar meestal ook je eigen loopbaan op. Bovendien kan de expat door zijn werk direct een nieuw sociaal netwerk opbouwen, terwijl jij moeilijker aansluiting vindt.

Wegkwijnen in een luxe expatwoning hoeft niet. Er zijn verschillende instellingen die voorbereidende cursussen geven, vaak in opdracht van multinationals; bedrijven erkennen dat de uitzending van een werknemer alleen kans van slagen heeft als ook de partner tevreden is.

Hestia Expatriate Consultants is zo’n bedrijf dat workshops aan de partners van toekomstige expats verzorgt. De cliëntèle bestaat voor 95 procent uit vrouwen. „Maar we leren je niet hoe je een glas sherry moet schenken”, zegt medeoprichter Lydia Herremans. In de cursus komt aan bod wat er geregeld moet zijn voor vertrek, en hoe je aan werk komt.

Volgens Herremans is het eerste jaar het moeilijkst door de cultuurshock. Met haar echtgenoot bracht zij negen jaar door in Italië, Nieuw-Zeeland en Australië. In het begin voelde ze zich erg eenzaam, maar ze vond haar draai en behaalde uiteindelijk een graad in de psychologie. Herremans: „Iedereen loopt tegen hetzelfde aan. Gun jezelf tijd om je aan te passen aan een vreemde cultuur.” Bij de workshops worden de emigranten in spe in contact gebracht met mensen die zelf in het land van bestemming hebben gewoond om praktische tips uit te wisselen.

Naast een voorbereidende cursus is het volgens Jacqueline van Haaften (49) handig als je ook contact kunt opnemen met mensen die nu nog in het land van bestemming wonen. Ze is directeur van Global Connection, een bedrijf dat partners van expats informeert met workshops, een magazine en een website. „Via onze website kun je zoeken naar mensen in jouw stad, die jouw taal spreken of kinderen hebben van dezelfde leeftijd.” Het bedrijf, dat ooit begon als expatpartnernetwerk van Heineken, telt inmiddels 50 geabonneerde bedrijven, goed voor 7.000 expatpartners over de hele wereld die elkaar steunen bij het opstarten van een nieuw leven.

Een digitaal netwerk voorkomt dat je zelf het wiel opnieuw moet uitvinden, aldus Van Haaften. Ze reisde met haar man af naar Singapore, en vervolgens naar Saint Lucia, een eiland in het Caraïbisch gebied. „Het kostte me in Singapore ontzettend veel moeite te ontdekken hoe ik een werkvergunning kon krijgen. Vaak hoorde ik: je bent nu de vrouw van een expat, je hoeft niet meer te werken. Ik dacht: dat bepaal ik zelf wel.”

Op Saint Lucia was het lastiger om te integreren. „Op de school van onze kinderen golden zwaardere straffen. Zo werd er wel eens een tik uitgedeeld. We zijn van tevoren met het schoolhoofd gaan praten. Gelukkig had die begrip voor ons standpunt.” Ondanks het strenge schoolsysteem verloor Van Haaften haar hart aan de „relaxte” sfeer van het eiland. „Ik zou zo teruggaan. En mijn kinderen ook.”

Van Haaften: „Wij informeren mensen, maar ze moeten het zelf doen. Je moet je openstellen voor een andere cultuur. In Nederland werken veel vrouwen in deeltijd. In het buitenland kun je dat wel vergeten. Daarom beginnen veel van onze leden een eigen bedrijfje.” Ze noemt een expatpartner die fietsvakanties organiseert in Noord-Korea en een vrouw die sieraden maakt in Mongolië.

Een andere optie voor de ondernemende expatpartner is vrijwilligerswerk. Sylvia van den Brink (39) vertrok drie jaar geleden naar Congo. „Congo is officieel het armste land ter wereld. We hebben vijf man personeel in huis. Dat vond ik naar, maar zij onderhouden met die baan hun hele familie. Zo’n 100 mensen hebben door ons te eten.” Van den Brink besloot haar bevoorrechte positie aan te wenden voor het goede doel. Samen met vier andere Nederlandse expatvrouwen richtte zij Stichting En Classe op, die lagere scholen in Kinshasa renoveert en van lesmateriaal, schoolbanken en voedsel voorziet. „De vierde school, met ruim 1.500 leerlingen, is bijna klaar.” Inmiddels werkt ze 40 uur per week voor haar stichting. „Ik kom de vreselijkste dingen tegen: kinderen in de modder, scholen in slechte omstandigheden. Toch is dit werk het meest bijzondere dat ik ooit heb gedaan. Ik heb geleerd te relativeren.”

Het schaft nog wel vaak Nederlandse pot in huize Van den Brink. „Als er broccoli te koop is, gaat dat als een lopend vuurtje de expat-gemeenschap door. We eten wat we kunnen krijgen.” Aan het Congolese voedsel kan ze nog niet zo wennen: „Congolezen eten meelballen en gedroogde insecten.”

Kijk voor meer informatie op hestianet.nl, kit.nl of global-connection.info

    • Sonja Hartgring