‘Schenker wil gestimuleerd worden’

Adriaan van Ravesteijn schenkt de kunstcollectie die hij opbouwde met zijn overleden partner Geert van Beijeren aan het MoMA. „De beste plek denkbaar.”

Foto Jacob van Essen Adriaan van Ravensteyn , voormalig galeriehouder, kunstverzamelaar Leeuwarden foto dd 19-08-2008 NRC ©Foto: Hoge Noorden / Jacob Van Essen Essen, Jacob van;Hoge Noorden

Vaak verspreekt hij zich en zegt hij: ‘Wij zijn dolgelukkig’ – alsof Geert van Beijeren, zijn levenspartner die drie jaar geleden overleed, nog leeft. Adriaan van Ravesteijn (1938), kunstverzamelaar en samen met Van Beijeren tot 2001 eigenaar van avantgarde-galerie Art & Project, stelt per telefoon vanuit zijn woonplaats in Leeuwarden: „Geert en ik hadden nooit durven drómen dat onze collectie vroege conceptuele kunst naar het Museum of Modern Art zou gaan. Voor ons en voor de kunstenaars uit onze collectie is er geen betere plek denkbaar.”

Met de aanvaarding van tweehonderdvijftig kunstwerken door het Museum of Modern Art in New York heeft ook het laatste deel van de reusachtige collectie die Van Beijeren en Van Ravesteijn in de loop van meer dan veertig jaar bij elkaar brachten, zijn definitieve eindbestemming gevonden. „Er is hier niets meer”, zegt Van Ravesteijn tevreden. „Ik heb nog één olieverfje van de Italiaanse schilder Salvo op de gang hangen, dat vroeger in onze slaapkamer hing. Maar hier opnieuw kunst? Mijn God, ik heb zoveel gaten in muren geboord. Even niet dus.”

Al in de jaren negentig begon het paar na te denken over de toekomst van hun collectie, die bestaat uit grote clusters werken van onder meer Daan van Golden, Francesco Clemente, Ad Dekkers, Richard Long, Stanley Brouwn, Carel Visser, Peter Struycken, Tony Cragg en Ben Akkerman. Van Ravesteijn: „De zorg voor de collectie was enorm. Dat konden we fysiek niet meer opbrengen. We gingen inventariseren: in welk museum komt wat het best tot zijn recht? We wilden alleen langdurige bruiklenen geven aan musea waarvan we wisten dat ze de kunst uit de kelder haalden en er goed voor zouden zorgen. Met die langdurige bruiklenen konden we een vinger in de pap houden, voor het geval het tentoonstellingsbeleid in een museum drastisch wijzigde of er een directeur zou aantreden die wij absoluut niet zagen zitten.”

Alle correspondentie is afgestaan aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag. Een portret van Jan Six door Ger van Elk is naar het Rijksmuseum. Het Haags Gemeentemuseum kreeg ongeveer honderd werken van Daan van Golden, Ben Akkerman en Rob van Koningsbruggen in bruikleen. Van Ravesteijn: „Het zijn kunstenaars met wie directeur Wim van Krimpen, die we goed kennen uit de tijd dat hij nog een galerie had, veel affiniteit heeft.”

Over de collectie werken van Salvo – ruim twintig stuks – en een aantal werken van Robert Combas wisten van Beijeren en Van Ravesteijn meteen: die zou naar Boijmans van Beuningen moeten. „Maar bij Boijmans zat toen Chris Dercon en die man vonden we een ramp. Pas toen Sjarel Ex als directeur aantrad, hebben we die cluster in bruikleen afgestaan.”

Het grootste deel van de collectie – circa twaalfhonderd, voornamelijk beeldhouwwerken – is in de loop van tien jaar in plukjes naar het excentrisch gelegen Rijksmuseum Twenthe gegaan. Van Ravesteijn: „We kennen de huidige directeur Lisette Pelsers van een tentoonstelling die zij in 1996 over Ben Akkerman maakte. We zagen hoe goed zij met het werk omging, hoe ongelooflijk veel er in Twenthe wordt verzet met beperkte middelen. Pelsers heeft altijd een innig contact met ons gehouden – en dat levert iets op.”

Het contact met Christophe Cherix, de huidige conservator van het MoMA, dateert uit 2003. Van Ravesteijn: „Cherix zocht ons op in Slootdorp omdat hij de bulletins die we uitgaven bij tentoonstellingen op de Papierbiënnale in Ljubljana wilde tonen. Cherix werkte toen nog bij het Cabinet des Estampes in Genève, maar was erg betrokken bij onze geschiedenis en bij de vroege conceptuele kunst. We besloten onze conceptuele werken aan Genève in bruikleen af te staan. Toen Cherix in 2007 bij het MoMA werd benoemd, was zijn eerste vraag of de collectie mee kon naar New York. En dat werd een schenking.”

Grote afwezige in de rij van ontvangende instellingen is het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van Beijeren werkte tot 1979 bij het museum, eerst als bibliothecaris, later als conservator. Galerie Art & Project lag in haar Amsterdamse tijd niet ver van het Stedelijk vandaan. Directeuren als Edy de Wilde en Wim Beeren kwamen er regelmatig over de vloer. Dat veranderde toen Rudi Fuchs als directeur bij het Stedelijk aantrad.

„Het is geen geheim”, zegt Van Ravesteijn, „dat onze relatie met Fuchs problematisch is geweest. Dat ligt niet alleen aan Fuchs, ook aan ons. In de jaren zeventig en tachtig, met Rini Dippel en Wim Beeren, liep alles soepel. Als de verhoudingen zo waren gebleven, was het nu misschien anders gegaan. Maar men verstarde in zijn eigen posities. En bij het vertrek van Fuchs in 2001 hadden we eigenlijk al besloten dat het Stedelijk geen optie meer was. Daarna hebben we nauwelijks meer contact gehad met het Stedelijk of iets gemerkt van betrokkenheid van hun kant. En als schenker of bruikleengever wil je wel gestimuleerd worden.”

„Met de musea die nu delen van onze collectie krijgen, hebben we een onbezoedeld verleden. Er is een nieuwe generatie directeuren aangetreden, die ons niet kent als galeriehouders – zeg maar middenstanders – maar als collectioneurs. Zij onderhouden wel een relatie met ons. Wij beschouwen hen als onze kinderen, die we zo nu en dan iets schenken als voorschot op de erfenis.”

    • Lucette ter Borg