Nog erger dan een olijk beschilderde mok

De afgelopen tijd logeerde mijn broer bij mij. Hij zat dan achter zijn laptop naar zijn Facebookpagina te kijken, en zei de hele tijd dingen als: „Tanja heeft een olifantje aan mij gegeven.”

Ik voelde dan onze minigeneratiekloof opspelen, die ook altijd aan het licht komt als ik iets over de Berenboot zeg en hij dat niet begrijpt. Mijn broer is een fanatiek gebruiker van Facebook. Ik ben drie jaar, één maand en zes dagen ouder dan hij, en ik heb niets met Facebook, en niets met Hyves, en niets met al die andere sites waarop je een heel klein fotootje van jezelf op iemands pagina zet en dat dat dan betekent ‘ik ben jouw vriend’.

En waar je virtuele cadeautjes zoals een olifant aan elkaar kunt geven (wat heb je nou aan een virtueel cadeautje? Dat is nog erger dan een olijk beschilderde mok voor je verjaardag krijgen). Of waar je, zoals op Facebook, constant moet opschrijven wat je op dat moment aan het doen bent. Ik moet er niet aan denken dat al mijn vrienden, of de kleine digitale fotootjes die dan mijn vrienden zouden zijn, dat van mij weten.

Maar zoals bekend is niet alleen mijn broer druk met Facebook, maar ongeveer de hele wereld. En dat is heus niet omdat ze het allemaal zo boeiend vinden om dagelijks te lezen dat hun tweehonderdvier vrienden óók allemaal net uit hun neus zitten te eten, of omdat ze het leuk vinden om de vakantiefoto’s van hun tweehonderdvier vrienden te bekijken.

Het is gewoon spannend omdat het een ouderwetse populariteitswedstrijd is, maar dan niet ouderwets. Hoeveel vrienden heb je, daar gaat het om.

Het fijne bij Facebook is dat je vriendenaantal nogal snel oploopt als je een beetje handig bent, en er niet, zoals in het gewone leven, duizenden kopjes koffie verkeerd gedronken dienen te worden, levensverhalen uitgewisseld, etentjes belegd, huilpartijen verdragen voordat je weer één luttele vriend rijker bent.

Het moet toch fijn zijn om elke dag een nieuw, gegroeid vriendental te zien, en om over mensen met minder dan honderd vrienden te kunnen zeggen: ‘Hij heeft maar zesenzeventig vrienden! Wat een loser!’ En om zo iemand dan een virtueel olifantje te sturen, als troost.

Dit wist iedereen die meer dan drie jaar, een maand en zes dagen jonger dan ik is, allang. Maar ik moest het toch even kwijt.

Lees de columns van Aaf op nrcnext.nl/aaf