Ik heb onderschat hoe onverwerkt de jaren tachtig zijn

Ik wilde mijn actieverleden beschrijven om te laten zien waar mijn optimisme vandaan komt, zegt Wijnand Duyvendak. Een optimisme dat ik nu maar al te vaak mis.

Tekening Ruben L. Oppenheimer Oppenheimer, Ruben L.

De kinderen hadden deze zomer een computerspel mee op vakantie: Rollercoaster. Je bouwt er achtbanen mee. Eindeloos waren ze ermee in de weer.

Afgelopen weken voelde ik me alsof ik zelf in een rollercoaster zat.

Natuurlijk, zelf erin gestapt, met het versturen van de uitnodiging voor deze presentatie. Maar daarna ging het op-en-neer, werd ik door elkaar geschud, hellingen werden steiler. Tot afgelopen donderdag – toen ik er maar even uitstapte. Ik wilde weer controle, met de voeten op de grond, autonomie.

Het begon met een mooi idee – met wat nog steeds een goed idee is: een boek schrijven over de klimaatcrisis.

Ik ben daar zo bezorgd over: waarom doet de wereld en doet Nederland niet wat nodig is?

We hebben tien tot vijftien jaar om onze CO2-uitstoot drastisch terug te brengen – en anders loopt het echt helemaal fout. Zetten we de toekomst van onze beschaving op het spel.

De klimaatpolitiek, wat één van de grootste issues in Den Haag zou moeten zijn, bungelt er nu eigenlijk ook maar een beetje bij. Soms lijkt het wel alsof minister Cramer (Milieu, PvdA) voor spek en bonen in het kabinet zit. Vrijwilligheid en vrijblijvendheid zijn troef. Zulke grote problemen, zo weinig concreet beleid.

Er is in de Kamer in theorie een groene meerderheid van PvdA, SP, CU, D66, PvdD en GroenLinks – 76 zetels. Maar in de praktijk bestaat hij niet: CU en PvdA maar vaak ook SP laten het afweten.

Hoelang gaat dat door? Waar zijn de politici met lef? Waar zijn de PvdA-, CU- en SP-leden die in verzet komen tegen de slappe keuzes van hun fracties?

De klimaatcrisis smeekt om een groene doorbaak in Den Haag. Groene partijen hebben hier in Europa een sleutelrol te spelen. Maar zijn net als GroenLinks nog veel te klein. De ambities moeten veel hoger. Regeringsdeelname zou een expliciet doel moeten zijn.

Het is vreemd nu plotsklaps de Haagse arena te verlaten. Een stap opzij te zetten. Ik was er nog niet klaar. Nog lang niet klaar. Het spijt me ook ontzettend voor al die mensen die mij hun vertrouwen hebben gegeven.

Het is vervreemdend zelf het middelpunt van een affaire te zijn.

Het is een rot besef dat ik zelf deze bal mede aan het rollen heb gebracht met een uitnodiging die meer misverstanden over mijn hedendaagse opvattingen opriep dan verduidelijkte.

In een media-affaire vallen argumenten en nuanceringen weg. Er worden beelden gecreëerd. Insinuaties worden feiten. Etiketten geplakt, oordelen geveld.

In de Volkskrant noemde een columnist mij de Nederlandse Gerry Adams van Sinn Fein (de politieke tak van de Ierse bevrijdingsbeweging, red.). Voor GeenStijl was ik nota bene de Karadzic van de Lage Landen.

Maar er werd ook ongelooflijk onzorgvuldig omgesprongen met feiten.

Zo zou ik volgens Nieuwe Revu in 1998 tegenover de kandidatencommissie van GroenLinks verzwegen hebben dat ik inbraken had gepleegd, terwijl ik toen helemaal niet meedong naar een Kamerzetel voor GroenLinks en pas voor de verkiezingen van 2002 voor het eerst een kandidatencommissie heb gesproken.

En De Telegraaf wist op basis van anonieme bronnen het bespottelijke verhaal te vertellen dat in het kraakpand waar ik in de jaren tachtig woonde, sperma gemixt zou zijn om daarmee toprevolutionairen te kweken, waarbij ze en passant ook nog even verwezen naar praktijken uit Nazi-Duitsland.

Ik heb onderschat welke krachten los zouden komen en hoe groot de behoefte is om keihard af te rekenen met actievoeren en met links. Hoe onverwerkt de jaren tachtig zijn – hoe onbekend ook.

Ik moest me de afgelopen twee weken iedere dag opnieuw voor nóg meer acties uit de jaren tachtig verantwoorden, ook acties waaraan ik part noch deel had of acties waartegen ik me destijds al had gekeerd.

Zoveel en zo vaak – dat het mijn functioneren als Kamerlid heel lastig maakte.

Dan past terugtreden.

Ook omdat ik erg geschokt was door wat de heer Verberg (oud-topambtenaar bij Economische Zaken, NRC Handelsblad, 14 augustus, red.) mij schreef over de brandstichting in zijn woning. Een daad die ik verafschuw, ook in de jaren tachtig verafschuwd zou hebben als het destijds bekend was geweest.

Een daad ook die ik nooit beoogd heb, maar mogelijk wel het onbedoelde gevolg was van adresgegevens en een oproep die ik nooit had moeten publiceren. Maar voor hen die denken dat ik afgelopen donderdag zomaar opgaf: oké, mijn zetel gaf ik op, maar meer ook niet.

Ik wilde juist beter kunnen vechten: tegen onterechte beschuldigingen en tegen beelden die niet onderkennen dat ik in woord en daad veranderd ben.

De beweging van de jaren tachtig was groot, divers en ongestructureerd. Het verloop ervan onverwacht, onvoorspelbaar en chaotisch. Ik deed in volle overtuiging aan veel acties mee. Maar liet er ook heel veel lopen. Daar voelde ik mij niet bij thuis, die vond ik slecht: de actie tegen de Centrumdemocraten in Kedichem bijvoorbeeld, of de gewelddadige herkraak van de Lucky Luyk. Daar heb ik niet aan mee gedaan en was ik ook niet aanwezig.

Er was voor mij – ook toen ik middenin de beweging zat – een duidelijke grens: geweld tegen personen, het stichten van brand, laat staan het plaatsen van bommen. Dat vond ik onaanvaardbaar.

RARA ging deze grens ver over.

Ik was juist heel bezorgd over dergelijke acties, ging de confrontatie erover aan met voorstanders. Ik probeerde de beweging daarvan weg te trekken, weg te houden. Anderen moeten maar beoordelen in hoeverre mij dat gelukt is.

Waarom moest een boek – dat primair over de klimaatstrijd gaat – ook in hoofdlijnen mijn actieverleden in die jaren beschrijven?

Ik wilde laten zien waar mijn optimisme vandaan komt, dat we samen de maatschappij kunnen veranderen. Dat we door te handelen invloed kunnen uitoefenen.

In de jaren tachtig stopten we het dumpen van kernafval in zee. Dwong de kraakbeweging af dat Amsterdam leefbaar werd, op een moment dat grote delen van de stad dreigden te verpauperen. Waarschuwden we met Onkruit voor de gevaren van het militarisme, van blinde gehoorzaamheid. Ik leerde er dat niemand volledig machteloos is. Dat we ons lot in eigen hand kunnen nemen.

Het is een optimisme en vertrouwen dat ik nu in 2008 maar al te vaak in de samenleving mis.

Want dat optimisme is een waardevol deel van de ervaring die ik in die jaren heb opgedaan met de gekke, de creatieve, de foute, de succesvolle, en de mislukte acties die we voerden.

Een sterke maatschappelijke beweging is cruciaal voor broodnodige veranderingen.

Maar ik wilde in het boek ook de slechte ervaringen beschrijven. Om duidelijk te maken waarom ik steeds meer uit overtuiging een geweldloze activist ben geworden. Dat foute acties mij veranderd hebben. En waarom ik er steeds meer voor koos binnen de kaders van de rechtsstaat actie te voeren.

Ik veroordeel alle vormen van fysiek geweld en eigenrichting en vind dat acties binnen de grenzen van de rechtsstaat moeten plaatsvinden.

Het was voor mij een verbijsterende ervaring dat er juist voor het besef dat mensen kunnen veranderen vorige week geen ruimte meer leek:

Eens een dief altijd een dief.

Eens een Bluf!-redacteur altijd een Bluf!redacteur – ongelooflijk.

Midden jaren negentig heb ik in de tijd dat ik bij Milieudefensie werkte een groot opiniestuk in de Volkskrant geschreven over grenzen van het actievoeren.

Ik verantwoordde me in dit stuk voor een bezettingsactie van een startbaan van Schiphol, die we met Milieudefensie hadden gevoerd. Acties moesten, zo schreef ik:

geweldloos zijn

gericht op parlementaire besluitvorming en dus niet op het spelen van eigen rechter

en actievoerders moesten bereid zijn tot publieke verantwoording en verantwoording voor de rechter.

Ik vind dit nog steeds. Al leg ik voor de klimaatbeweging de lat hoger.

Die moet enorm uitkijken met acties waarbij de wet wordt overtreden, ook al vallen zij binnen de genoemde drie criteria.

Omdat ik heel bang ben dat harde acties contraproductief zijn, de beweging isoleert en de maatschappelijk roep om krachtdadiger klimaatbeleid marginaliseert.

De inbraak bij Economische Zaken werd afgelopen weken scherp veroordeeld, maar er waren ook velen die zeiden eigenlijk morgen wel weer te willen inbreken – als daarmee nuttige geheimen boven tafel zouden kunnen komen.

Het doel heiligt het middel, is dan kennelijk de redenering.

Maar inbraken zijn enorme inbreuken op onze rechtsstaat en ondergraven het democratisch proces.

Het doel heiligt hier niet het middel.

Het is eigen rechter spelen: want jij meent zelf uit te kunnen maken voor welk goed doel dit middel gerechtvaardigd is en voor welk niet.

Maar als rechtse activisten nu eens alle dossiers stelen van asielzoekers die op het punt staan hun generaal pardon te krijgen? Omdat dat voor hen een gerechtvaardigd doel is?

Wat kun je daar dan nog tegenover stellen?

In mijn boek beschrijf ik dat er een nieuwe maatschappelijke beweging nodig is om de klimaatverandering te stoppen.

Dat vraagt een grote, brede, open beweging die geweldloos is en de democratische rechtsstaat respecteert. En allerlei institutionele deelbelangen tussen bestaande organisaties overstijgt. Die beweging is er nu – spijtig genoeg – nog niet. We missen deze node.

Nu de Kamer niet langer mijn domein meer is, zal ik me er de komende tijd – met alles wat in me is – voor inzetten dat de maatschappelijke klimaatbeweging sterker en krachtiger wordt. Ik verheug me daarop.

Dit is een ingekorte versie van de toespraak die Wijnand Duyvendak vanmiddag hield bij de presentatie van zijn boek Klimaatactivist in de politiek.

    • Wijnand Duyvendak