Dancemuziek of eendengekwaak

nrc.next-redacteuren nemen de bus, stoomtrein, tram of metro en stappen uit bij een halte ergens in Nederland.

Vandaag Noord-Holland: 3.000 hectare veengebied en dansvloer voor Dance Valley.

Foto David Galjaard en Christian van der Kooy Galjaard, David;Kooy, Christian van der

Hij strekt zijn vleugels uit. Kop in de lucht. Hij zakt een klein beetje door zijn knieën, springt soepel in de lucht en klappert met zijn vleugels. De reiger vangt wind en stijgt op. Hij vliegt over het water, over het hoge riet, over een paar eenden. Hij zweeft over uitgestrekte weilanden met koeien, een groep rennende paarden en een kleine windmolen. Hij klappert nog eens flink met zijn vleugels. Poten gestrekt naar achteren. Hij verdwijnt uit zicht.

Vanaf een heuvel met rotsen heb ik een goed uitzicht over dit 3.000 hectare veenweidegebied, genaamd Spaarnwoude. Het is een typisch Hollands uitzicht met drassige weilanden en kleiachtige moddervelden. In de verte razen auto’s op de snelweg voorbij. In de lucht elk kwartier een opstijgend vliegtuig afkomstig van de Polderbaan van Schiphol. Dit recreatiegebied ligt tussen Haarlem, Amsterdam en Velsen in. Het is in de jaren zestig gecreëerd tegen de opkomende verstedelijking. De regioliner 82 van Connexxion stopt aan het begin van het park.

Je kunt hier wandelen, fietsen, bramen plukken.

Of dansen. Want in de zomer worden hier vaak festivals gehouden. Op de weilanden komen dan felgekleurde circustenten, bij het water staan versierde podia en eendengekwaak maakt dan plaats voor dancemuziek.

Een paar weken geleden verspreidden zo’n 55.000 feestgangers zich over het uitgestrekte heuvelachtige veengebied voor het festival Dance Valley. Het regende die dag hard. Grijze wolken vormden dekens boven de weilanden met het dansende publiek. Soms scheen de zon en was de lucht blauw. Witte wolken trokken in sneltreinvaart voorbij. Soms verschenen er donkere wolken, die plakten aan elkaar en binnen enkele minuten begon het dan te regenen. De neerslag kletterde op de grond, in de plassen. Druppels lieten kringen achter. Soms een luchtbel.

Aan een stellage van vier meter hoog hing midden op een grasveld een koe. Het hoofd naar beneden. Ze bungelde wat. Op haar knalroze lijf van papier-maché stond ‘born to be wild’. En ze was drijfnat. Regendruppels gleden van de zijkant van haar rug naar beneden. Het water spatte in okerkleurige plassen in de modder.

Twee vrouwen van midden twintig passeerden de stellage. Ze hielden elkaar stevig vast, de armen in elkaar gehaakt. Voorzichtig stapten ze door de blubber. Ze droegen teenslippers. Hun voeten zaten onder de klei, onder de teennagels kleurde het zwart. En bij elke stap klapperde de zool van de slippers tegen de hielen. Modder spatte tegen de achterkant van hun witte leggings.

De meeste vrouwen droegen leggings met rubberen kaplaarzen bij Dance Valley. Niet van die ouderwetse donkergroene laarzen. Maar van die kleurige dingen in roze en blauw met hartjes en bloemetjes. Ook een enkele man droeg het schoeisel, maar dan met een ruitje.

Ik zit nog steeds op de heuvel met rotsen. Het weer betrekt. Het zal zo wel gaan regenen. Het uitzicht is prachtig. In de verte kun je IJmuiden zien liggen, herkenbaar aan de rode kranen. Daar, vlakbij een hoogspanningsmast, staat een man bramen te plukken in de bosjes. Verder is hier niemand.

Ik voel regendruppels op mijn gezicht en steek een paraplu op. Bij Dance Valley mocht je die niet meenemen. Dat was te gevaarlijk, vond de organisatie. Mensen zouden elkaar er mee te lijf kunnen gaan, zei een pr-man. Bezoekers liepen daarom in blauwe dunne plastic poncho’s. Die hadden ze vlak voor de ingang gekocht voor twee euro. Daar stonden twee tieners met een Amsterdams accent met de capes. „Je wilt toch niet dríjfnat worden?”

Festivalbezoekers konden ook schuilen, in de circustenten of onder de luifels van eetkraampjes. Op de gevels stond duidelijk aangegeven wat er te eten was: ‘Pannekoeken’, ‘Surinaams’, ‘Vers fruit’, ‘Hotdogs’.

Op een modderig stuk stonden tafels met parasols. De regen tikte hard tegen de afdekking. Onder de parasol zaten twee vrouwen. Ze aten patat uit een plastic bakjes. Eentje veegde haar zoute vingers af aan haar blauwe korset. „Wat een weer hè?” De ander knikte en trok het touwtje van haar cowboyhoed wat strakker aan. „Ik heb het koud.” „Ik ook.” De vrouw in het korset duwde met haar hand in haar rug. „Hier doet het zeer.” „Ik heb pijn in mijn nek”, zei de ander. „Weet jij waar Marieke is?” „Die schijnheilige?” „Ja die.” „Die met die tattoo”. „Ja, die met die tattoo.” „Nee, geen idee.”

Op het festival klonk overal dancemuziek. Dance is de overkoepelende term voor elektronische dansmuziek. In elke tent en op elk podium draaide een dj een andere variant. Bij het hoofdpodium bij het water stonden de meeste mensen. Daar klonk een monotoon gebonk. Het ritme van de muziek versnelde soms. Dan was het even stil. Een olifant trompetterde. Een toeschouwer, een man van rond de dertig met zonnebril, kaal hoofd en ontbloot bovenlijf strekte zijn armen uit. Hij wuifde met zijn handen naar de dj. „Kom maar op man”, schreeuwde hij.

Een mannenstem klonk door de speakers. ‘I am so scared of my self, don’t ever leave me.’ Het gebonk kwam terug. Het tempo versnelde. ‘I am so scared of my self, don’t ever leave me.’ De man met het ontblote bovenlijf klapte in zijn handen en stampte met zijn voeten op de grond. Er klonk weer gebonk. Steeds sneller. Weer de olifant. De muziek stopte. De man zong mee: ‘I am so scared of my self, don’t ever leave me.’ Hij spreidde zijn armen uit elkaar. Met zijn nek uitgestrekt naar voren. Net als de reiger van net. De man rende door de plassen op het gras als een kind dat een vliegtuig nadoet.

Links van de heuvel waar ik op zit, stond een reuzenrad. Dj’s draaiden daar populaire electro en madhous met opzwepende beats. Vrouwen van in de twintig bewogen zich sierlijk op de dreunende muziek. Ze golfden met hun armen in de lucht. Ze draaiden met hun heupen. Rokjes fladderden omhoog. De mannen stonden er onverschillig bij. Ze droegen strakke shirtjes. Sommigen hadden er een tekst op staan ‘no shit’ of ‘hello world’ of ‘fuck’. Op de maat van de muziek duwden de mannen hun borst naar voren en weer terug. Ze knikken met hun hoofd op en neer. Armen hingen nonchalant langs het lijf.

Het weer klaart op. Ik klap mijn paraplu dicht. Tussen de groeven van de rotsen op de heuvel zijn kleine plasjes water blijven liggen. Nu de zon weer schijnt, schittert het water. Op Dance Valley had een man van eind twintig geobsedeerd naar de schitteringen gekeken. Hij was eerder fanatiek de heuvel opgerend. Bovenaan kwam hij naast mij zitten. „Ik ben stuk”, zei hij. Het zweet stond op zijn voorhoofd en bovenlip. „Ze hebben me vol gespoten met drugs.” Hij lachte. „Nee hoor wijfie, jij bent mijn drugs.”

Hij stond op en begon te springen. Het gedreun van dancemuziek werd luider. De dj beneden aan de heuvel had een nieuwe plaat opgezet. En de man zong opgewonden mee. ‘I am horney, horney, horney, horney.’

Ik klim van de heuvel af via de rotsen. In de lucht boven mij zie ik de reiger weer. Of het is een ander. Hij strijkt neer op een bankje. We kijken elkaar aan. Hij maakt zich uit de voeten. Kop in de lucht, beetje door de knieën, sprongetje, klapperende vleugels.

En hij is weg.

    • Juliette Vasterman