Breskens

Als je op je fietsje argeloos door westelijk Zeeuws-Vlaanderen zwiert, kan het gebeuren dat je opeens op een route stuit waarlangs, volgens een onopvallend bord, „de Canadese bevrijders binnentrokken”.

En geleidelijk begint het je te dagen dat in dit kalme, waardige landschap vreselijk gevochten en gestorven is. Overal kom je ze tegen, de verwijzingen naar de verwoestingen uit de Tweede Wereldoorlog.

Op een mooie dag kijken we in Sluis vanaf een terras op de Groote Markt naar het stadhuis, een fraai belfort (wachttoren met vier torentjes erop), het enige dat Nederland rijk is. Later zie ik er foto’s kort na de oorlog van: er stond nog amper één geblakerde muur overeind. Het hele gebouw blijkt (knap) gerestaureerd.

Het moet zó erg zijn geweest dat ik bij een kerk in Groede de vermelding tegenkom dat Groede, als een van de weinige dorpen, gespaard is gebleven.

Van al deze zaken was ik me nog maar half bewust toen ik Breskens binnenstapte. Waarom wilde ik naar Breskens? Misschien juist wel omdat je er zo weinig over hoorde. De toerist komt met het veer in de vissersplaats Breskens aan en gaat dan meteen dóór.

Ik liep naar het centrum, het Spuiplein en de straten eromheen, en zag een dorp zonder kloppend hart. Hier was vlijtig wederopgebouwd, maar de historische ziel leek voorgoed verdwenen.

„Hoe erg heeft Breskens het in de oorlog te verduren gehad?” vroeg ik de eigenaar van een kiosk.

„Erg”, zei hij. En toen ik aandrong: „Verhoudingsgewijs erger dan Rotterdam. Zestig procent van het dorp is door de geallieerden in 1944 kapot gebombardeerd. Bijna 200 doden, tien procent van de bevolking.”

Overdreef hij? In de toeristische boekjes kom je er weinig over te weten. Waarom eigenlijk niet? Toch niet omdat het een beetje vervelend is voor al die Duitse toeristen?

Nee, hij overdreef niet. In Breskens staat ergens – het had wel wat centraler gemogen – een fraai oorlogsmonument, ontworpen door Johan Provoost. Een raam hangt uit een muur, op de grond de glasscherven, soms alleen, soms in groepjes van gezin en familie.

Volgens een begeleidende tekst vielen er bij het bombardement op 11 september 1944 – een geallieerde poging om terugtrekkende Duitse troepen de pas af te snijden – 183 burgerslachtoffers. „Dit is relatief meer dan in elke andere plaats in Nederland.”

Breskens, heel westelijk Zeeuws-Vlaanderen eigenlijk, was van groot strategisch belang als ingang naar de Westerschelde en het Belgische achterland.

Na zo’n voorgeschiedenis komt het nooit meer helemaal goed met zo’n dorp, vrees ik. Een hart is alleen door een kunsthart te vervangen.

In Oostburg, even verderop, had ik een paar dagen later dezelfde ervaring. En in Rotterdam voel ik het ook nog altijd.

Pas na mijn bezoek aan Breskens schoot me te binnen dat Willem van Hanegem als zoon van een garnalenvisser daar (in 1944) geboren was. Hij verloor bij het bombardement zijn vader, die een baby met zijn lichaam redde, en zijn broer.

Zo onbezorgd als ik zou hij daar nooit kunnen fietsen.