Alles wat we weten had anders kunnen zijn

Elke woensdag op deze pagina een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: geloof en wetenschap.

Is geloof een ‘andere vorm van zeker weten’, een andere vorm van wetenschap? ChristenUnie-leider André Rouvoet meent van wel, zei hij onlangs in NRC Handelsblad. Een reeks kritische reacties liet niet lang op zich wachten: natuurlijk was wetenschap iets heel anders dan geloof: geloven is maar geloof, en wetenschap is kennis!

Inderdaad. Toch liggen de complicaties hier volgens filosofen op de loer. Want in de uitspraken van Rouvoet – maar ook in de kritiek erop – worden een hoop dingen aangenomen die bij nader inzien helemaal niet vanzelf spreken. Kritische commentatoren hebben Rouvoet bijvoorbeeld betrapt op een achterhaald beeld van wetenschap. Het zou daarin gaan om ‘absolute zekerheden’ (net als in het geloof). Maar in de wetenschap is juist alles in principe onzeker, en wordt kennis telkens achterhaald en verbeterd. Maar is geloof dan wél een domein van ‘absoluut zeker weten’, en wát weten gelovigen dan precies zo zeker?

Eerst het argument over de aard van wetenschap, met name van de exacte natuurwetenschappen. Vanaf de zeventiende eeuw hebben allerlei filosofen gestreefd naar zuivere en vaststaande kennis als basis van die moderne wetenschap, die in die tijd enorme vooruitgang boekte. Spinoza is een beroemd voorbeeld van een filosoof die alle kennis dacht te kunnen baseren op rationele principes, zoals Descartes al zocht naar een ‘onschokbaar fundament’ van onze kennis. Ook Kant dacht met zijn filosofie de waarheid van de Newtoniaanse natuurkunde voor altijd te kunnen vastleggen.

In latere tijden is die hoop vervlogen, en zijn filosofen wetenschap steeds meer gaan beschouwen als een ‘work in progress’, dat misschien wel nooit ultieme, alomvattende waarheden oplevert. De filosoof Popper wordt daarbij dan vaak instemmend aangehaald, omdat hij wetenschap beschreef als een proces van ‘falsificatie’ (de wetenschap schrijdt voort doordat men probeert bestaande theorieën te weerleggen), in plaats van ‘verificatie’ (pogingen een theorie te bewijzen). Maar ook Poppers opvattingen zijn zelf alweer achterhaald. Ze vormen geen goede beschrijving van het wetenschapsbedrijf, waarin juist vaak uit alle macht geprobeerd wordt tegenvoorbeelden in te passen in bestaande theorieën, tot het echt niet meer gaat.

Blijft staan dat de moderne wetenschap een experimenteel en empirisch bedrijf is, waarin zekerheden telkens opnieuw kunnen worden aangevochten en bijgesteld, op basis van methoden van verificatie waar overeenstemming over bestaat. Dat zou dan het cruciale verschil zijn met religieus geloof, dat immers geen twijfel toelaat aan eenmaal vastgestelde geloofswaarheden (dogma’s), en waarvan de aanhangers ook geen objectieve manier aandragen voor anderen om die ‘waarheden’ te verifiëren. Zo bezien heeft Rouvoet dus ongelijk: geloof en wetenschap zijn geheel verschillende zaken.

Of toch niet? Volgens sommige godsdienstfilosofen is het helemaal niet waar dat gelovigen bepaalde zaken ‘zeker weten’ en nooit twijfelen. Bovendien, voorzover ze iets ‘zeker weten’ gaat het om iets anders dan feitelijke uitspraken zoals die van de wetenschap of het dagelijks leven. De uitspraak ‘ik geloof in God’ is van een andere orde dan uitspraken als ‘E = Mc kwadraat’ of ‘ik heb de baby in de bus laten liggen’. Om te beginnen die twijfel. Er zijn legio voorbeelden van gelovigen (zoals de bijbelse Job, of de hervormer Luther), die hevig met het geloof hebben geworsteld, soms hun leven lang. Sommige theologen, zoals de Zwitser Karl Barth, wijzen erop dat de christelijke boodschap (die volgens hem principieel anders is dan andere religies) zo’n onwaarschijnlijke inbreuk is in het menselijke leven, dat het bijna niet anders kan of het móét wel bijna constant bevochten worden op de twijfel. Het cliché dat gelovigen het ‘gemakkelijk’ hebben, is in die optiek onzin. Ongeloof is juist veel ‘natuurlijker’, en in die zin hebben dus de huidige ongelovigen – zeker in een seculiere samenleving – het juist ‘gemakkelijk’.

Dan de kwestie van religieuze taal. Wat bedoelen gelovigen eigenlijk met uitspraken als ‘God is liefde’, ‘Jezus redt’, en dergelijke? Het zijn in elk geval geen beschrijvingen van de werkelijkheid, zoals ‘Madonna zingt over liefde’, of ‘Bono probeert Afrika te redden’. Het gaat ook niet om kennis, in die zin dat kennis toch ook altijd op zijn minst de mógelijkheid van twijfel veronderstelt: alles wat we weten, had ook anders kunnen zijn, of kan bij nader inzien anders blijken te zijn, zoals de wetenschap laat zien. Toch is een christen, als hij door alle twijfel heen komt, er ‘zeker’ van dat Jezus redt. Maar wéét hij dat dan eigenlijk?

Volgens Ludwig Wittgenstein zijn er bepaalde overtuigingen die voor een manier van leven zo fundamenteel zijn, dat ze onmogelijk kunnen worden opgegeven (althans, niet zonder ‘gek’ te worden), maar waarbij juist geen sprake is van kennis. Hij geeft het voorbeeld van de uitspraak ‘ik zie mijn hand nu voor me’, op het moment dat iemand een van zijn handen ophoudt en daarnaar kijkt. Het zou volgens Wittgenstein absurd zijn die uitspraak te betwijfelen, maar tegelijk is er van ‘kennis’ geen sprake: bij kennis hoort immers altijd de mogelijkheid van twijfel. Zo heeft elke menselijke levensvorm volgens Wittgenstein bepaalde overtuigingen die de bedding vormen van die levensvorm, en die zelf niet of maar heel geleidelijk veranderen.

Voorzover gelovigen niet twijfelen, lijkt hun geloof dus misschien op de bedding van zo’n soort ‘levensvorm’. Het christelijke religieuze kader behelst dan een aantal basale overtuigingen die aan feitelijke kennis voorafgaan, zoals: het universum is een geordend geheel, voortgekomen uit een Schepper, waarin het goede uiteindelijk zal zegevieren boven het kwade. Dat zijn stuk voor stuk uitspraken die eerder nieuwe betekenis stichten dan dat ze een feitelijke stand van zaken beschrijven. Daar lijkt Rouvoet op te doelen met zijn idee dat ook niet-gelovigen bepaalde overtuigingen hebben die zelf niet meer rationeel zijn te bewijzen.

Het lijkt een aardige uitweg, en wetenschap en geloof hoeven elkaar dan niet te bijten. Alleen, juist veel gelovigen (vooral uit protestantse en islamitische richtingen), staan erop dat hun geloofsuitspraken ook feitelijke waarheid beogen, en niet alleen maar een soort dichterlijke of mystieke betekenis hebben. Zij neigen ertoe er (net als hun seculiere critici) toch een soort verkapte beschrijvingen in te zien, en belanden dan onvermijdelijk in gewetensnood over de tegenstellingen tussen, bijvoorbeeld, het scheppingsverhaal en de moderne evolutietheorie. Zie EO-spreekstalmeester Andries Knevel, die een boek lang, tevergeefs, worstelt met het verzoenen van Jezus, Darwin en de Big Bang.

Gelovigen die die afslag voorbijrijden, kunnen geloof en wetenschap heel goed combineren. Niet omdat het allebei vormen van ‘zeker weten’ zijn, maar juist omdat het één heel weinig met kennis te maken heeft, maar met iets anders. Het geloof is dan niet zozeer gelijkwaardig met wetenschap, zoals Rouvoet suggereerde, maar misschien wel met andere basale levensbeschouwelijke overtuigingen, zoals de seculiere overtuiging dat de wetenschap het laatste woord is over alles.

Dan doemt wel meteen een andere complicatie op, zoals de filosoof Herman Philipse duidelijk maakt. Juist omdat het gelovigen niet gaat om feiten (zoals de wetenschap) maar om uitgangspunten die hun leven betekenis geven, proberen ze die niet alleen in hun persoonlijk leven maar ook in maatschappij en politiek tot uiting te brengen. Daarbij botsen ze dan soms op de morele consensus van de seculiere samenleving, zoals in de kwestie rond embryoselectie. Gelovigen moeten hun overtuigingen dan zien te verdedigen met argumenten die voor niet-gelovigen op zijn minst te volgen zijn. Simpelweg poneren dat iets ‘niet mag van het geloof’ is misschien acceptabel in privézaken, maar niet in de publieke zaak. Dat hoeft overigens niet per definitie een probleem op te leveren, want de morele bezwaren tegen abortus, euthanasie of embryoselectie (doorgeschoten maakbaarheid, heerschappij van de techniek, etcetera) zijn ook voor niet-gelovigen te volgen, al zijn ze het er misschien niet mee eens. In die zin zal Rouvoet er in elk geval aan moeten wennen dat hij in dubbel opzicht is opgenomen in een ‘groter geheel’: dat van zijn geloof, maar ook dat van een samenleving waarin de meeste mensen zijn geloof níét delen.

Elke woensdag staat op deze plek een filosofisch dilemma, doorgaans van Rob Wijnberg. Tijdens zijn vakantie staan hier essays van gastschrijvers. Sjoerd de Jong is filosoof en plaatsvervangend hoofdredacteur van NRC Handelsblad.

    • Sjoerd de Jong