Zeeuwse rust in een familiebadplaats

De inwoners van Burgh-Haamstede zijn nuchter en zuinig. Toeristen komen er voor het strand, het bos, de rust. In niets lijkt het op het feestdorp Renesse. Deel zeven van een serie.

Een badgast nabij de stormvloedkering bij Burgh-Haamstede. ‘Alles verandert overal. Maar hier niet.’ Foto Roger Cremers Nederland, Burgh-Haamstede, 27-07-2008 Opa en Oma met 4 honden en 2 kleinkinderen zwemmen in het water nabij de stormvloedkering Het dorp Burgh-Haamstede is gelegen op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland. Met 4707 inwoners is het dorp na Zierikzee de grootste kern op het eiland. Eigenlijk bestaat Burgh-Haamstede uit twee dorpen: Burgh en Haamstede, die nog duidelijk herkenbaar zijn. Burgh-Haamstede is vooral bekend dankzij het toerisme in de maanden april tot oktober. Vele mensen weten hun weg te vinden naar de stranden aan de Noordzee en de Oosterschelde. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Wie naar Burgh-Haamstede gaat, komt vooral voor wat er níet is. Dat zegt iedereen die je het vraagt. Er is geen brommerjeugd, geen lawaai, er is geen discotheek, geen luidruchtig café, er zijn geen rijen identieke souvenirwinkeltjes. Op de wekelijkse braderie staat alleen een aandoenlijke draaimolen voor de kinderen. De vergelijking met feestdorp Renesse (7 kilometer verderop) wordt door zowel inwoners als vakantiegangers gemaakt. Ze kijken er vies bij. Dat willen we dus niet. Wij willen authenticiteit en rust.

Dat is bewust beleid, zegt VVD-raadslid Dick Meulblok van de gemeente Schouwen-Duiveland die 26 jaar in Burgh-Haamstede woont. Hij runde er jarenlang een groentewinkel. „Een wijs besluit van de bestuurders in de jaren zeventig. Zij wilden dat Burgh-Haamstede een familiebadplaats zou blijven. Wij hebben 18 kilometer strand. En uitgestrekt bos. Dáár komen de mensen voor.”

En dus is het een gemoedelijk dorp. Keurig. Bijna burgerlijk. De gazonnen zijn glad geschoren, de perken geschoffeld en de heggen geknipt. Alleen de bus van Connexxion die regelmatig het dorp doorkruist, valt uit de toon. Een man in een lichte pantalon op de fiets is een dorpsbewoner, net als een dame met een rok tot over de knie. Zij lijken een minderheid. Het stikt in de zomermaanden van de bruinverbrande vaders in korte broeken en moeders in zomerjurkjes. Met hun kinderen. En er zijn veel ouderen met toerfietsen of stevige wandelschoenen.

Of ouderen die van de rust genieten. En koffie drinken op een terras. Bij bakkerij Sonnemans bijvoorbeeld die tussen allerlei prullaria uit de Tweede Wereldoorlog en op het strand gejutte spullen adverteert met echte Zeeuwse palingbroodjes, echt Zeeuws appelgebak, echte Zeeuwse kruidkoek, echte Zeeuwse duinhoning, echte Zeeuwse peperbollen en echte Zeeuwse bolussen. Authentieker kan bijna niet, zou je zeggen.

Vroeger waren het twee dorpen; Burgh en Haamstede. De twee dorpskernen, ieder met een eigen kerk en verbonden door een klinkerweg, zijn duidelijk te onderscheiden. Ieder dorp had toen nog een eigen burgemeester. De rivaliteit was groot, je kwam uit Burgh of je kwam uit Haamstede. De boerenjongens uit beide dorpen namen het tegen elkaar op bij het ringsteken op trekpaarden. Elk dorp had een eigen voetbalclub. Alleen de oudere inwoners kennen die rivaliteit nog uit eigen ervaring. De huidige voetbalvereniging van Burgh-Haamstede heet DFS: Door Fusie Sterk.

Burgh-Haamstede als badplaats, het bevalt of het bevalt niet. Mensen die kwamen en bleven, komen vaak terug. Zoals Simon Eikelenboom (71). Hij zit samen met zijn buurvrouw Fennie Verhoeff (71) op het terras van Hotel Bom. Zijn vrouw en haar man zijn overleden en nu gaan ze samen op pad. Toen zijn kinderen klein waren, kwam Simon al in Burgh-Haamstede. Hij was lid van de christelijke bond en die hadden vakantiehuisjes voor leden vlak naast de vuurtoren. „Veertig jaar geleden zaten we hier ook zo op dit terras. De speelgoedwinkel in de dorpsstraat was toen precies als nu. Alles verandert overal. Maar hier niet.”

Kneuterig. Zo noemt Willemien de sfeer in het dorp. Willemien is haar voornaam en de naam van haar winkeltje in een zijstraat van „de ring” van Haamstede. Ze wil niet met achternaam in de krant. In het winkeltjes verkoopt ze zelf geborduurde ansichtkaarten, kinderkleding en handgemaakte quilts. Zij kwam in 1962 voor het eerst naar Burgh-Haamstede als toerist met haar gezin. In de zomer huurden ze jaren achtereen een stacaravan. Toen haar kinderen tieners werden, bleef ze komen. „De kinderen gingen dan ’s avonds op een brommertje naar Renesse om uit te gaan.” Na haar scheiding moest ze ergens een nieuw leven opbouwen. Ze koos Burgh-Haamstede. „De plek waar ik altijd gelukkig was.”

De oorspronkelijke bewoners zijn ingetogen, maar vriendelijk, zegt Willemien. „Ze riepen niet meteen: ‘Hé, gezellig dat je er bent, kom op de koffie’. Ze wachten even af.” Dat merkte ook mevrouw De Kock, eigenaresse van De Burghse Snoeperij aan de rand van Burgh. De Burghse Snoeperij is de laatste winkel van het dorp op weg naar het strand. Je koopt er een visnet, een hengel, ansichtkaarten, een ijsje, sigaretten of een krant. Toen mevrouw De Kock met haar man in Burgh-Haamstede kwam wonen en ze de winkel begonnen, werden ze niet meteen omarmd. „Ze kijken eerst de kat uit de boom. Wie zijn het, hoe gedragen ze zich, zijn ze schoon en netjes?” Maar ben je eenmaal goed bevonden, zegt mevrouw De Kock, dan ben je welkom. „Nu zwaait iedereen naar me.”

De inwoners van het dorp zijn geen feestbeesten, ze zijn nuchter en zuinig, zegt Marinus Jonker (65), geboren en getogen in Burgh-Haamstede. Samen met zijn partner Jan van Willigen (64) runde hij veertien jaar lang ’t Oliegeultje, een petit restaurant net buiten Burgh-Haamstede met uitzicht op de Oosterschelde. Twee jaar geleden verkochten ze de zaak, maar ze helpen de nieuwe eigenaren nog steeds tijdens de drukste zomermaanden. De rest van het jaar verblijven ze op Gran Canaria.

Vroeger, voor ’t Oliegeultje, werkten Marinus Jonker en Jan van Willigen in de binnenvaart. Ze stapten eruit toen het slechter ging met de binnenvaart en speelden met de gedachte een zaak te beginnen op Gran Canaria. Maar eerst gingen ze een paar weken naar hun stacaravan in Burgh-Haamstede. Jan van Willegen: „Toen zagen we dit spulletje op palen.” Marinus Jonker: „Ik zei tegen Jan: ‘Jan, dit is het’.” Jan van Willigen: „Ik zei nog, ‘Jij altijd met je: dit is het’. Maar het wás het.”

De twee mannen en hun eenvoudige restaurant werden een begrip in de omgeving. Iedereen kent hen. Aanvankelijk was de voormalige kantine van de watersportvereniging meer een café. Voor een koffie of een biertje op het terras. Maar steeds meer bezoekers wilden graag wat eten. Marinus Jonker ging friet bakken op een vierpitsgasstel. En een kroketje, een frikadelletje. Tot iemand zei: ‘Ik heb zin in vis’. Ach, zegt Jonker, „ik dacht, als mijn moeder vis kan bakken, kan ik het ook.” Het beviel. Trots haalt hij er stapels gastenboeken bij. De toeristen kwamen, maar ook de Zeeuwen. „Die komen eerst een kop koffie drinken”, zegt Marinus Jonker. „Ze willen het eerst even zien. Hoe ziet het eruit? Wat kost het? Zijn ze eenmaal binnen, dan kan je er donder op zeggen dat ze een week later komen eten. En dan blijven ze komen. Zo zijn ze nu eenmaal.”

Zes eerdere afleveringen uit deze serie op nrc.nl/aanzee

    • Sheila Kamerman