Vrije markt is uit bij Berlusconi

Silvio Berlusconi is nu honderd dagen minister-president van Italië, in zijn derde termijn als premier. Wat betekent dit voor de Italiaanse economie?

De miljardair-politicus, aan het begin van zijn carrière zanger op een cruiseschip, heeft een lied tegen de vrije markt ingezet. De toon werd gezet door Berlusconi’s aanpak van Alitalia, de berooide nationale luchtvaartmaatschappij. Hij heeft campagne gevoerd met de belofte het concern in Italiaanse handen te houden. Hij lijkt vastbesloten deze belofte gestand te doen. Een groep Italiaanse zakenlieden staat op het punt in te stemmen met een binnenlands reddingsplan.

Telecom Italia (TI) zal zich de danspasjes van Alitalia wellicht eveneens eigen moeten maken. Een minister uit Berlusconi’s kabinet heeft geëist dat het voormalige staatsmonopolie Italiaans blijft. Als het management van TI nog steeds een nauwere samenwerking overweegt met de grootste aandeelhouder Telefónica, het Spaanse telecomconcern, zou een blik in een van de door het media-imperium van Berlusconi gepubliceerde financiële tijdschriften wel eens nuttig kunnen zijn. „Hoe kan het kabinet toestaan dat Telecom Italia in buitenlandse handen komt, in een zomer die wordt gekenmerkt door de zware inspanningen om Alitalia te redden?”

Dan is er de machtsstrijd bij Mediobanca. Acht maanden geleden, toen Berlusconi alleen nog maar een aandeelhouder van deze handelsbank was, stonden er plannen op stapel om deze instelling te laten breken met haar verleden als heimelijk machtsinstrument van de industriële elite. Het doel was de markt, niet een paar families, de ontwikkeling van Italiaanse bedrijven te laten begeleiden.

Maar Cesare Geronzi, president-commissaris van Mediobanca, wil niet dat Italië zich in die richting begeeft. En hij is al een heel eind op weg met het verkrijgen van goedkeuring voor een nieuwe structuur, die Mediobanca opnieuw in staat zou stellen te fungeren als poortwachter van het Italiaanse financiële systeem. Hij zal tevens zijn connecties in Rome toevoegen aan de traditioneel Milanese dominantie van Mediobanca, waardoor de politisering van het Italiaanse bedrijfsleven verder zal toenemen. Hoewel Berlusconi in het openbaar niet tussenbeide is gekomen, stemde zijn bedrijf vóór de voorgestelde veranderingen.

De nieuwe toonzetting is zeker dienstbaar aan de persoonlijke ambities van Berlusconi en Geronzi, de meest bedreven makelaars in politieke macht van Italië. Maar zij wordt voorgesteld als een fundamenteel debat over economische en politieke ideologie.

De verliezende partij wordt door tegenstanders die van het ‘marktfundamentalisme’ genoemd. De aanhangers zouden geen enkele overheidsbemoeienis willen, maar de meeste voorstanders van de vrije markt in Europa erkennen juist dat de staat een belangrijke economische rol heeft. Zij roepen slechts op tot vrijere markten, eliminatie van verstikkende uitwassen van de staatsbureaucratie en beperkingen van ondoelmatige subsidies. Die benadering heeft prima gewerkt in Zweden, Spanje en Duitsland.

Berlusconi en Geronzi hebben geen duidelijke omschrijving gegeven van het systeem dat zij voorstaan, maar ‘etatisme’ volstaat. Etatisten beschouwen de overheid als een weldadige economische kracht, die kan streven naar waardevoller doelen dan marktsucces.

Ze geloven ook dat bedrijven, of die nu in privé- of in staatsbezit verkeren, bereid moeten zijn om het land te dienen. Zij zien minder gevaar in de corruptie die voortvloeit uit heimelijke onderonsjes dan in de verwoesting die volgens hen door ongeremde concurrentie teweeg wordt gebracht.

De nationalistische toonzetting van het etatisme mag dan politiek gesproken populair zijn – waarschijnlijk heeft Berlusconi er zijn hernieuwde premierschap aan te danken – in een gemondialiseerde economie is zij contraproductief. Toch aarzelen Italiaanse zakenlieden om het etatisme in het openbaar af te wijzen.

Alessandro Profumo, topman van de bank Unicredit, werd bijvoorbeeld lange tijd gezien als de stem in het bedrijfsleven die zich het duidelijkst profileerde als voorstander van de markt. Maar na gedreigd te hebben zich te zullen verzetten tegen Geronzi’s nieuwe structuur bij Mediobanca, heeft hij zich bij de rest van het aandeelhouderspact aangesloten en zijn steun aan het plan gegeven. En Mario Draghi, voormalig bankier van Goldman Sachs, wiens benoeming als hoofd van de Italiaanse centrale bank in december 2005 door marktenthousiastelingen werd verwelkomd, is louter opgevallen door zijn zwijgzaamheid.

Maar het was natuurlijk veel makkelijker zich tegen het etatisme uit te spreken toen het op de terugtocht leek. Dezer dagen is het verstandiger met de massa mee te dansen. Neem Gilberto Benetton, een lid van de familie die het gelijknamige kledingconcern bestiert, aandeelhouder van Mediobanca en Telecom Italia. Zijn familie heeft ook een groot belang in tolwegbeheerder Atlantia, die zojuist een concessie van de overheid heeft verkregen. En hij is in gesprek om een belang in Alitalia te nemen, aldus ingewijden.

Berlusconi heeft zijn carrière opgebouwd door in de beste – of slechtste – etatistische traditie politieke en zakelijke belangen te vermengen. Voor hem heeft die strategie prima gewerkt, en de Italiaanse kiezers hebben hem daarvoor beloond. Maar het is geen goede methode om de economie van een land te leiden.

© Breaking Views. Vertaling: Menno Grootveld

    • Edward Hadas
    • Rachel Sanderson