Rijk wordt men in Okeford Fitzpaine niet

Engelsen leven het liefst in the country, waar zij het beste zeggen te vinden wat hun land hun te bieden heeft, maar de meesten wonen toch in de stad. In het dorp Okeford Fitzpaine is ook niet alleen maar idylle.

Illustratie Eliane Duvekot Duvekot, Eliane

Kom eens mee naar achteren, roept Simon Jackson. Zijn kruidenierswinkel annex postkantoortje, de enige van het dorp Okeford Fitzpaine in het west-Engelse graafschap Dorset, laat hij even onbeheerd.

In zijn ruime achtertuin gebaart hij naar opzij. Voor ons ontrolt zich een klassiek Engels panorama. Goed onderhouden ‘cottages’ – oude, wit gestucte huisjes met vakwerk en strooien daken – rond een solide dorpskerk en een begraafplaats met bemoste zerken. Op de achtergrond rijzen groene heuvels op met weilanden en hoge heggen. Alsof de tijd hier heeft stilgestaan.

„Dit is nou het Engelse platteland zoals je het je voorstelt”, zegt Jackson voldaan. „Miljonair zal ik hier niet worden, maar je krijgt er veel moois voor terug.”

De 54-jarige Jackson en zijn vrouw Vicky zitten hier pas sinds 2004. Jarenlang verdiende hij, van huis uit informaticus, de kost als financieel consultant in de Londense City. Elke dag pendelde hij vanuit een forenzenplaats naar zijn werk. Tot hij op een goede dag, toen hij tegen de vijftig liep, besloot het roer radicaal om te gooien. Na enig speurwerk namen hij en zijn vrouw de wegkwijnende dorpswinkel in Okeford Fitzpaine over, gevestigd in een historisch pand in de dorpskom, naast de bakstenen lagere school.

Ze bliezen de winkel en het bijbehorende postkantoortje met hard werken en langere openingstijden nieuw leven in. De circa 800 dorpelingen komen er graag, om wat te kopen maar ook om een praatje te maken. „Het is soms alsof je midden in een soap opera zit met al dat geklets en geroddel”, lacht Jackson. Tot opluchting van het hele dorp heeft hun postkantoortje een saneringsronde van Royal Mail, die honderden vestigingen elders in het land fataal werd, overleefd. Jackson maakt een bescheiden winst. Maar het belangrijkste voor hem is dat hij na afloop van een lange werkdag niet in de trein hoeft te stappen. In plaats daarvan drinkt hij een glas bier in de Royal Oak, de pub schuin tegenover zijn winkel.

De Jacksons zijn de enigen niet die zich tot het platteland aangetrokken voelen. Zo’n 80 procent van de Britten, bleek uit een recente opiniepeiling in opdracht van het blad Country Life, woont bij voorkeur op het platteland wegens zijn landschapsschoon, frisse lucht en ruimte. De meesten geloven bovendien dat plattelandsbewoners vriendelijker zijn dan stadsmensen, concludeerde het onderzoek.

Dit is minder verrassend dan het klinkt. Al eeuwenlang beschouwen Britten the country als de belichaming van het beste wat hun land te bieden heeft. Een omgeving met een kalm ritme, waar geen plaats is voor agressie of haast en waar mensen met eerlijke arbeid hun brood verdienen.

Verbazender is misschien dat nog maar 20 procent van de Britten ook daadwerkelijk op het platteland woont. „Ongemerkt, zonder het voor zichzelf toe te geven, zijn ze een stedelijk volk geworden, dat het platteland ophemelt als het symbool van datgene wat het zelf niet meer is”, somberde de filosoof Roger Scruton enkele jaren geleden al over de Engelsen.

Ook Okeford Fitzpaine is al lang niet meer de oude boerengemeenschap die het nog maar enkele decennia geleden was. Tot in de jaren ’60 was het grootste deel van het land én de huizen in handen van de vermogende familie Pitt Rivers. De boeren pachtten hun land. Toen de familie besloot haar eigendom te verkopen, was Bernard Trowbridge een van de boeren die land kochten.

De inmiddels 79-jarige Trowbridge, die hier zijn hele leven heeft doorgebracht, werkte tot 1989. De groeiende bureaucratie en de kans op veeziektes werden hem te veel. Daarom verkocht hij op zijn beurt zijn land, grotendeels aan een paardenfokker. Steeds verder heeft hij het boerental zien slinken. „Toen ik jong was, hadden we 16 melkproducenten”, zegt Trowbridge. „Nu zijn er nog twee over. We hadden zelfs tot begin jaren ’70 een eigen melkfabriek in het dorp. En elke boer had knechten. Nu kunnen de boeren het werk alleen af met machines.”

Bedachtzaam kijkt hij naar zijn pantoffels. Zijn kanaries piepen in hun kooi in de serre naast zijn fraaie boerenwoning. „Ik geloof niet dat er op het moment nog iemand in het dorp is die een varken houdt”, zegt hij dan. „Vroeger had iedereen een varken.”

Vorig jaar viel ook het doek voor de belangrijkste werkgever in het dorp, een fabriek voor de verwerking van kippenvlees. Zo’n 300 mensen, onder wie enige tientallen uit Okeford Fitzpaine zelf, verloren hun baan. Ook voor de Jacksons en de Royal Oak, betekende de sluiting een omzetdaling.

De fabriek was al eerder het middelpunt geweest van een veelzeggende ruzie, waarbij nieuwkomers en autochtone bewoners botsten. Veel nieuwelingen, die juist naar Okeford Fitzpaine waren getrokken wegens de mooie, rustige omgeving, stoorden zich aan de stank van de fabriek. Er kwam een campagne op gang voor maatregelen. Uiteindelijk sloot het bedrijf naar eigen zeggen de deuren wegens concurrentie uit het buitenland. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd. „Het is moeilijk te zeggen of die ruzie over stank meespeelde”, zegt Mike Burt, de 69-jarige voorzitter van de dorpsraad.

Wat Burt wel weet is dat Okeford Fitzpaine dringend nieuwe banen kan gebruiken, vooral hooggekwalificeerde. Heel Dorset worstelt met dat probleem. Jonge mensen met een universitaire opleiding trekken naar de steden waar meer banen zijn. Om zulke mensen te behouden heb je volgens Burt, die zelf 34 jaar in het dorp woont, grotere bedrijven nodig en die kijken vaak eerst naar de bereikbaarheid van een locatie.

Burt: „Wij hebben hier geen goede wegverbindingen. Dat was ook al een twistpunt met de kippenverwerkingsfabriek, die steeds grotere vrachtwagens gebruikte en een bredere weg wilde. Sommige bewoners klaagden echter juist over het lawaai en het gevaar van die vrachtwagens.” Ook het openbaar vervoer is beneden peil. Naar Yeovil, een belangrijke regionale plaats, rijdt eens per week een bus.

De werkgelegenheid in het dorp is beperkt. Afgezien van enkele boeren, de winkelier en de pubeigenaar is er nog een garagehouder (de zoon van Bernard Trowbridge), een handelaar in oud ijzer, en iets verderop een bedrijf in mobiele vakantiehuisjes. Daarnaast is er een man die een koeriersdienst drijft. Een deel van de werkzame bevolking werkt buiten het dorp, vaak ver daarbuiten. Er zijn mensen die elke dag een uur of vijf onderweg zijn om van en naar hun werk in Londen te reizen.

Intussen groeit ook in Okeford Fitzpaine het aantal voormalige stadsbewoners. Neem Ted Horton, een gepensioneerde bouwinspecteur die vicevoorzitter is van de dorpsraad. Hij herinnert zich nog goed hoe hij veertien jaar geleden in zijn toenmalige woonplaats, de zuidelijke stad Bournemouth, langs een drukke weg benzine stond te tanken met uitzicht op een deprimerende file.

„Genoeg is genoeg”, zei hij op dat moment tegen zichzelf en hij vertelde zijn vrouw dat hij naar het platteland wilde verhuizen. „Ze verklaarde me voor gek”, lacht Horton, gezeten op zijn terras met uitzicht op de eigen riante tuin en in de verte een schapenweide. „Nu wil ze hier niet meer weg.”

Of neem de baas van de Royal Oak, George Tweedie (47). Na 29 jaar bij de marine besloot hij dichter bij zijn volwassen kinderen te gaan wonen. Dus zei hij de marine vaarwel en zijn vrouw en hij vertrokken vorig jaar uit Newcastle om in Okeford Fitzpaine de lokale pub te drijven. Daarmee vervult Tweedie een droom van menig stedeling. Uit het onderzoek van Country Life bleek dat geen plattelandsberoep meer tot de verbeelding spreekt van stadsmensen dan dat. Het is bovendien een sleutelfunctie. Zonder pub, school, winkel of postkantoor plegen Engelse dorpen snel in verval te raken.

De stijgende vraag naar huizen drijft de prijs op. Daarom kunnen armere dorpsbewoners nauwelijks meer woningen kopen. Wel werden er, mede op aandringen van de dorpsraad, onlangs twaalf nieuwe huurwoningen opgeleverd voor minder draagkrachtigen.

De moeizame huisvesting van armere bewoners wil wel eens tot animositeit jegens de nieuwkomers leiden. Maar Trowbridge, Burt en anderen willen de deur niet dichtgooien voor nieuwkomers. Ze beseffen dat hun dorp vers bloed nodig heeft om te overleven. Trowbridge, die 45 jaar in de dorpsraad zat, zegt het zo: „Nieuwkomers blijven welkom maar we willen niet dat ze ons gaan voorschrijven dat we alles anders moeten gaan doen.” Want Okeford Fitzpaine wil het dorp blijven dat het is. Daarover zijn de lokale bewoners en zelfs de meeste nieuwkomers het eens.

Voor eerdere afleveringen van deze zomerserie over de economie van het dorp zie nrc.nl/economie

    • Floris van Straaten