Identificeren met de papieren boef

Een kogelregen maakte vorige week een eind aan het leven van August ‘boyke’ A.

Wellicht levert de liquidatie ons weer een ‘true crime’-boek op. Daar smult de lezer van.

Kroegbaas Thomas van der Bijl werd 20 april 2006 slachtoffer van criminele afrekening. (Foto Hollandse Hoogte) Nederland Amsterdam 22 april 2006 Bloemen en kaarsjes voor cafe De Hallen waar de eigenaar Thomas van der Bijl is vermoord. Van der Bijl zou in het verleden connecties hebben gehad met de voormalige Heineken ontvoerders Cor van Hout en Willem Holleeder. Van der Bijl die geen onbekende was in het amsterdamse criminelecircuit en net een gevangenisstraf had uitgezeten voor hasjhandel is naar alle waarschijnlijkheid slachtoffer geworden van een criminele afrekening. Foto: Jan Boeve / Hollandse Hoogte Boeve, Jan;Hollandse Hoogte

Soms staan boeven dichter bij de burger dan die burger durft te vermoeden. Het is tegenwoordig niet zozeer de fictieve thriller als wel de biografische non-fictie die tot zo’n onverhoedse confrontatie kan leiden. Neem Willem Endstra. Het fotokatern van de biografie Stille Willem bevat een klassenfoto met de negenjarige Endstra uit 1962. Afgebeeld is de derde klas van de Amsterdamse School voor Opvoeding en Onderwijs. Rondom Endstra staan ‘juffie’ Van Dam, de zoon van een neurobioloog en de dochter van ’s lands belangrijkste courantier van toen.

Op zo’n groepsportret zoek je, als schoolgenoot uit een min of meer vergelijkbare sociaal-culturele klasse, onweerstaanbaar naar de overeenkomsten. Die aandrang is er minder op de eerste pagina’s van het recente plaatjesboek Tijdperk Willem Holleeder. Ook daarin staan schoolfoto’s: één met Willem Holleeder en een andere met Cor van Hout. Beiden afkomstig uit 19de-eeuwse wijken in West. Die twee hebben een andere geschiedenis met drinkende vaders en criminele stiefvaders. De klassenfoto is ook anders. Er staan veel meer kinderen op.

Maar sinds de jaren negentig blijkt dat deze twee werelden toch meer gemeen hebben dan de onderwijzers in de jaren zestig voor mogelijk hadden kunnen houden. Onderwereld en bovenwereld zijn de afgelopen twintig jaar zo verstrengeld geraakt dat de culturele apartheid van weleer geen houvast meer biedt.

Die vermenging van hoge en lage cultuurgoederen is bij uitstek zichtbaar op de boekenmarkt. Ook de, voorheen betere, uitgeverij en boekhandel hebben dat begrepen. Zeker sinds de liquidatiegolf begin deze eeuw in Amsterdam en de uiteindelijke arrestatie van Willem Holleeder hebben zij een lawine van boeken over misdaad, afrekeningen en biografieën van criminelen op gang gebracht. Er lijkt geen eind te komen aan de reeks boeken die dit jaar zijn verschenen in het genre true crime. En net zo belangrijk: ze zijn bestemd voor alle rangen en standen.

Het oorspronkelijk uit de Verenigde Staten afkomstige genre is in Nederland net zo oud als de moderne georganiseerde misdaad. Voordien verschenen er ook wel boeken. Maar er zat geen systematiek in. Medio jaren tachtig kwam daarin verandering. Peter R. de Vries was in 1987 een pionier met De ontvoering van Alfred Heineken. De ‘misdaadverslaggever’ tekende hierin het verhaal op van dader en flipperfanaat Cor van Hout. De Vries verkocht 200.000 exemplaren. Jaar in jaar uit noemden voetballers het steevast als hun lievelingsboek.

De Vries woekert met de dubbele moraal: soms heeft hij begrip voor de mens achter de misdadiger, dan weer etaleert hij heilige verontwaardiging. Hij staat daarmee symbool voor brede lagen van de bevolking. Bart Middelburg en Paul Vugts – die meer te rade gaan bij politie of justitie en minder oog hebben voor jongensromantiek– zoeken in De oorlog in de Amsterdamse onderwereld daarentegen meer naar structuren, die ook buiten het wereldje van belang zijn.

Afgelopen jaren kregen zij meer gezelschap, maar de rauw-romantische film The Godfather is nog steeds dé stilistische norm. Die ondertoon blijkt ook uit het gretige gebruik van bijnamen en adjectieven. Bijnamen die verwijzen naar een beroep of uiterlijke hebbelijkheid zijn uiteraard van alle tijden. Johan ‘de Hakkelaar’ Verhoek en Jan ‘de snor’ Femer: het klinkt onschuldig en wat infantiel. Maar sinds de jaren zeventig komen ook verhevener bijnamen in omloop.

Daar moet meer achter zitten. Bij Aage Meinesz, de ‘meesterkraker’ klinkt waardering door. De inbreker met de thermische lans is toch maar een vakman, en nog geweldloos ook. Bij ‘Zwarte Joop’ de Vries, Frits van de Wereld en Thea ‘godmother’ Moear schemert mystiek door. Bodyguard André Brilleman daarentegen roept als ‘mean machine’ angst op.

Romantisch ontzag of navenante angst: dat varieert in de misdaadlectuur. Maar op nagenoeg elke pagina dringt zich hoe dan ook respect op: in de betekenis van de straat, in de zin van ‘respect, of ik schiet’. En dat is gek. De maatschappij hunkert immers naar burgerlijke omgangsvormen. Maar tegelijkertijd groeit de fascinatie voor lieden die juist lak hebben aan normen en waarden. Het enige dat spoort met de algemene trend is dat allochtonen (Joego’s, Turken en Russen) in de true crime meedogenlozer en patseriger worden afgeschilderd dan autochtone misdadigers.

Is dit een paradox? De burgerij heeft al langer een ambivalente verhouding tot de boeverij. Sinds de Britse historicus en marxist Eric Hobsbawn in zijn boek Bandits de sociale bandiet bestempelde als een rebel in het spoor van Robin Hood, is er een neiging criminelen te politiseren. Maar waarom? Omdat misdaad iets zegt over de aard van de maatschappij en de verhoudingen daar binnen.

Om te beginnen met de verhoudingen. Criminelen hebben een ambivalente relatie tot de reguliere maatschappij. Ze voelen bijvoorbeeld jaloezie voor én kijken neer op gewone burgers. Burgers leiden een geregeld leven en worden daarom gewaardeerd. Maar ze zijn ook schijtlijsters, die zich laten koeioneren door de overheid. De crimineel definieert zich dus graag als ‘vrije jongen’ die van alles is, behalve een ‘burger’.

Omgekeerd is de verhouding evenmin eenduidig. De burger koestert geen minachting. Hij is eerder bang voor de zware jongen en kijkt soms tegen hem op. Terwijl hij keurig maar met tegenzin belasting betaalt, laat de misdadiger het geld hangen. Het kan zelfs nog ambivalenter. In de top van de criminele netwerken heffen ze via protectie hun eigen belasting. En ze hebben er een systeem met boetes waartegen geen bezwaarschrift is opgewassen. De verhalen over afpersing en afrekening in de misdaadlectuur schetsen zo de rauwe natuurtoestand van elke samenleving zonder rechtvaardige overheid. Tegelijkertijd verzoenen ze ons met ons eigen suffe noodlot dat onlosmakelijk is verbonden met onze gehoorzaamheid.

True crime weerspiegelt ook het economische karakter van de maatschappij. Ging het eerst nog om de boef uit het industriële tijdperk of de crimineel die kon gloriëren in het entertainmenttijdperk van sex, drugs and rock-’n-roll – rond 1990 diende zich een nieuwe fase aan: in een netwerkmaatschappij is het woord logischerwijs aan netwerkcriminelen. Ze zijn marketeers en managers voor wie alles te koop is, ook de dood van een concurrent. Ze worden in de misdaadlectuur ‘topcriminelen’ genoemd: want iedereen die tegenwoordig een prestatie levert is top.

Dit type schurken roept identificatie op. De legale en gewone burger leeft namelijk ook in een netwerkmaatschappij. Maar die is hem te ingewikkeld en te ondoorzichtig. Vrije jongens hebben geen last van dit soort beperkingen. Zij vertolken een kapitalisme zonder afgedwongen solidariteit en zonder geweldsmonopolie. Ze zijn meer tegen de staat dan welke libertijn ook. Behalve dan als het om de burgerlijke moraal gaat. Dan zijn de vrije jongens juist weer bekrompen. Dat zij verlangen naar vrijheid betekent niet dat anderen dat recht evenzeer hebben. Wie last heeft van Damslapers of krakers, die belt hen. Waarna ze met een knokploegje de Augiasstal komen schoonvegen. De vrije jongens doen zo wat wij niet durven of niet vinden deugen: voor eigen rechter spelen.

Die paradox is zo oud als de moderne maatschappij burgerlijk is. ‘Épater le bourgeois’: dat is de verdienste van de misdaadlectuur. Ze verzoent de burgerij met haar lot, maar verbiedt niet te dromen van radicale vrijheid en rijkdom.

Lees ook: newyorker.com, zoekterm: capote cold blood