Hogere machten

De auteur bezoekt Belfast en komt er achter dat een dag eerder de beruchte Oranjemarsen zijn gehouden. De straten zijn uitgestorven en er hangt een grimmige sfeer. Dan snel in de auto en naar de Ierse Republiek.

Als we het vasteland van het Verenigd Koninkrijk verlaten voor een dagtrip naar de Orkney-eilanden, worden we op de kade uitgeleide gedaan door een orkestje van het Leger des Heils. Ze spelen God save the Queen. Een dag eerder blies een doedelzakspeler in vol ornaat ons een warm welkom in Schotland toe. Het was uitnodigend genoeg voor een verblijf in de hooglanden, maar we hebben ons nu eenmaal in het hoofd gezet om na de Orkneys de Ierse zee over te steken naar Noord-Ierland.

Op de ferry krijgen we schuwe blikken toegeworpen. Men kan ons niet plaatsen. Bij het ontschepen stuurt de douane onze auto naar de kant. We zijn als laatsten aan de beurt. Ze willen weten wat we hier te zoeken hebben. Ze vinden ons vreemde snoeshanen, maar de papieren zijn in orde. We mogen doorrijden.

In Belfast hangt een grimmige sfeer. De straten zijn uitgestorven. In het sobere hotel in de hoofdstraat, waar militairen in het donker patrouilleren, komen we er achter dat uitgerekend de beruchte Oranjemarsen zijn gehouden. De lucht trilt nog na van de spanning.

Voor dag en dauw maken we ons uit de voeten.

Op weg naar de grens met de Ierse Republiek worden we regelmatig aangehouden. Als ik voor de vierde keer het raampje omlaag draai, krijg ik bevel de kofferbak te openen. Er zitten geen terroristen in.

Goed en wel in de Ierse Republiek halen we opgelucht adem. Dit is het Ierland dat ons hart heeft gestolen: ruig, rommelig en geurend naar smeulende turf. Door een steeds kaler wordend landschap rijden we westwaarts tot we bij de Atlantische Oceaan uitkomen. Dolfijnen buitelen in het kristalheldere water en zeehonden liggen languit op de rotsen. De lucht is vol vogels.

We zien welgeteld één huis, een kapitale bungalow met een B&B-sticker op de deur. We aarzelen geen moment. Richard, een gepensioneerde bankier, en zijn Poolse vrouw Anna ontvangen ons allerhartelijkst. Het gaat hun niet om het geld. Ze willen graag gezelschap. Dat ze beiden in zo’n puik humeur zijn, laat zich raden: overal liggen lege whiskeyflessen. In de loop van de avond slaat hun opgewekte stemming om in somber gepeins. Anna filosofeert: „Vergeleken met die miljoenen jaren oude rotsen hier is ons leven niet meer dan een ademtocht.” Richard valt haar bij: „Wij zijn slechts nietige hagedissen.” Ze leggen ons omstandig uit hoe het universum in elkaar steekt. Ook hebben ze het antwoord op grote levensvragen, zoals waar we vandaan komen en waar we heengaan. Tegen de dageraad wordt tussen de oergeheugens en lichtjaren door een nieuwe fles whiskey aangebroken. We haken af.

Na een paar uur slaap en een lange rit bereiken we de toeristische route Ring of Kerry. We volgen een bordje met rooms en komen bij een boerderij. Geradbraakt ploffen we neer op een breed bed.

Als we de volgende morgen naar de dorpsmarkt gaan, zien we San en Fred de Wit lopen, onze buren in Muiden. Ze logeren op een boerderij vlakbij die van ons. We kunnen er niet over uit. Hebben hogere machten toegeslagen? Hebben onze whiskeywijsgeren er misschien de hand in gehad?

Achter onze buurtjes aan rijden we naar hun boerderij om koffie te drinken. De dag erop komen ze bij óns. We hebben ons nog nooit zo thuis gevoeld.

    • Otto Holzhaus