‘Gezonde patiënt’ zeker reanimeren

Het beleid om 70-plussers alleen te reanimeren als zij daarom vragen, berust op een misverstand. Gezonde ouderen leiden na een reanimatie een normaal leven, stelt Ruud Koster.

Patiënten met een hartstilstand die tevoren in redelijke gezondheid verkeerden, worden in zijn algemeenheid géén kasplantjes na een reanimatie. Het heeft dus wel degelijk zin om deze mensen te reanimeren.

Moeten bewoners in een verzorgingshuis wel of niet worden gereanimeerd? Nadat enkele jaren geleden deze vraag werd gesteld voor patiënten in het verpleeghuis, is nu de gezonde bejaarde onderwerp van discussie. Alle aspecten komen aan de orde: de slaagkans van een reanimatie, de kwaliteit van leven na reanimatie, de autonomie en keuzevrijheid van het individu, de niet-reanimerenverklaring. In deze draaikolk van feiten en meningen maakte de directie van het St. Pieters en Bloklands Gasthuis de keuze van ‘nee, tenzij’ en stelde dat de bewoners niet meer zouden worden gereanimeerd tenzij zij uitdrukkelijk de wens van het tegendeel tevoren vastlegden.

Terwijl iedereen recht heeft op hulp in nood – de plicht tot hulpverlening is zelfs wettelijk vastgelegd – besloot het St. Pieters en Bloklands Gasthuis anders voor hun bewoners. En deze instelling is kennelijk niet de enige. Het gasthuis is snel en kordaat teruggefloten en volgt weer het algemeen geaccepteerde ‘ja, wel reanimeren’-principe, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is afgesproken.

Voor dat uitdrukkelijk afzien van reanimatie bestaat alle wettelijke en morele ruimte in Nederland. De autonomie van het individu en het recht op zelfbeschikking worden erkend en in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) geregeld. Een patiënt mag een behandeling weigeren om hem moverende redenen en die weigering dient gerespecteerd te worden. De Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde is daarbij behulpzaam met een niet-reanimerenverklaring en een niet-reanimerenpas, ook al is de juridische status van die pas nog onduidelijk. Het is aan de arts of de instelling waar een bewoner verblijft om die wens tijdig te bespreken en vast te leggen, uiteraard na de persoon die zijn eigen afweging moet maken, van de juiste informatie te hebben voorzien. Voor die juiste informatieverstrekking blijft nog veel te wensen over. Die informatie wordt vaak gekleurd en misvormd gepresenteerd en dan wordt de keuze wel vrijwillig maar niet op goede gronden gemaakt.

Vaak wordt gesteld dat een reanimatie vrijwel nooit lukt. Als de poging wel slaagt, zou je als een kasplant achterblijven. Zo gesteld is de keus snel gemaakt, want wie zou dat nou willen? Maar deze voorstelling van zaken is onjuist. Zeker, je komt er na een reanimatie nooit beter uit dan je tevoren was. En als er vóór een mogelijke reanimatie sprake is van een slechte kwaliteit van leven, is er een goede reden een niet-reanimerenverklaring te overwegen. Maar de situatie ligt anders voor diegenen die nog genieten van het leven, ook al komt de ouderdom met gebreken.

De eerste stap is eenvoudig: de reanimatie slaagt of slaagt niet. Als de reanimatie niet slaagt, overlijdt de persoon snel of na enkele dagen, maar hij heeft er geen weet van en lijdt niet. In mijn ervaring is het voor familie enerzijds wel een emotionele en nare periode, maar aan de andere kant ook een gelegenheid om afscheid te nemen en aan het idee van het einde te wennen. Deze situatie komt in 80 tot 90 procent van de gevallen voor; zeker de helft van de patiënten overlijdt in de eigen omgeving en wordt niet meer naar het ziekenhuis vervoerd.

De 10-20 procent van de mensen die het wel overleven, zijn in het algemeen in goede toestand. Het worden zeker geen kasplantjes, integendeel. Mijn medewerkers Reinier Waalewijn en Anouk van Alem hebben diepgaand multidimensioneel psychologisch en cognitief onderzoek gedaan bij diegenen die een reanimatie overleefden in Noord-Holland in de periode 1995-2003. Van de overlevers was 77 procent onafhankelijk van anderen, 85 procent was lichamelijk geheel onafhankelijk en 84 procent was cognitief geheel ongestoord. Slechts 10 procent van de overlevenden had méér dan een lichte beperking in cerebraal of lichamelijk functioneren.

Gemiddeld was er sprake van een licht tot matig verminderde kwaliteit van leven in vergelijking met niet-gereanimeerde Nederlanders. Maar het was niet meer na te gaan of die toestand misschien al vóór de reanimatie bestond. Leeftijd speelde bij deze uitkomsten slechts een ondergeschikte rol: alleen voor het lichamelijk functioneren was een niet-significante trend in slechter functioneren boven de 70 jaar, een trend die geheel ontbrak voor cognitief en psychosociaal functioneren.

Het beeld van de kasplant na reanimatie is dus in zijn algemeenheid volstrekt onjuist, al komt het zeker soms voor dat een patiënt er zo slecht aan toe is, dat het beter was geweest dat de reanimatie niet was gelukt. Dat is echter een uitzondering op de regel. Die regel is, dat de vooruitzichten bij een geslaagde reanimatie niet slecht zijn en dat die ook opgaat voor de oudere in het verzorgingshuis.

Daarom is het beleid van het St. Pieters en Bloklands Gasthuis terecht teruggedraaid, omdat het op een verkeerd principe van ‘nee, tenzij’ was gebaseerd. Het gaat voorbij aan wetenschappelijke informatie die aantoont dat ook ouderen na reanimatie niet slechter af zijn àls ze het overleven.

Daarom ook is er geen reden om kennis over reanimeren bij het personeel van een bejaardenhuis te verwaarlozen. Ook is er geen enkele reden om moderne middelen als een Automatische Externe Defibrillator buiten de deur te houden.

Want één ding staat zeker vast: de snelheid van handelen en kwaliteit van de uitvoerders van de hulpverleners ter plaatse bepalen in hoge mate het slagen van de reanimatie.

Ruud Koster is als cardioloog verbonden aan het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam en lid van de Nederlandse Reanimatie Raad en de European Resuscitation Council.

Discussieer mee over reanimatie op nrc.nl/discussie.