Eeuwig landschap

Een deel van mijn vakantie bracht ik dit jaar nu eens niet, zoals veel andere mensen, op de Fiji-eilanden door, in de Gobi-woestijn, op de steppen van Kazachstan (zijn daar steppen?) of in een iglo in Alaska – maar in Zeeuws-Vlaanderen.

Ik schaamde me tegenover familie en vrienden een beetje als ik het moest bekennen. Zij hadden me net opgetogen uitgelegd welke halsbrekende Alp of K-berg in de Himalaya ze dit jaar eens heerlijk rustig wilden beklimmen als ze na een korte, licht intimiderende pauze vroegen: „En, wanneer gaat jullie vliegtuig?”

Ik moest dan antwoorden: „Wij gaan met de trein naar Vlissingen en vandaar met het veer naar Breskens.”

Ik werd aangekeken met het medelijden dat normaliter gereserveerd wordt voor invaliden (met name eenbenigen) die aan de Nijmeegse Vierdaagse willen meedoen.

„Blijven jullie daar lang?” vroeg men nog voor de vorm, „of gaan jullie daarna écht weg?”

„Nee, we blijven er een poosje. We moeten er goed rondkijken, want we zijn er nooit eerder geweest.”

„Wij ook niet”, klonk het dan meestal goudeerlijk, maar hun ogen voegden er ondubbelzinnig aan toe: „Ons niet gezien.”

Ik begreep die reactie maar al te goed. Per slot van rekening had ik me er ook altijd op laten voorstaan dat ik meer van de binnenlanden van Argentinië had gezien dan die van Zeeland. In de gemiddelde conversatie op de gemiddelde receptie kun je beter zeggen: „Ik was in Mendoza” dan „Ik was in Groede”.

Toch is Groede een veel aardiger plaatsje dan het suffe Mendoza, zoals dat hele westen van Zeeuws-Vlaanderen mooier is dan Argentinië ooit zal worden. Wij zaten in de zuidwesthoek, dichtbij de Belgische grens, en we maakten er de aangenaamste fietstochten van ons leven.

Zeeuws-Vlaanderen kent een prachtig streng polderlandschap – vlakten met graan, bieten en vlas tot aan al die horizonnen die je rondom met het oog onbelemmerd kunt aftasten – waar je je een nietig stofje voelt in de palm van Gods hand (in het kerkse Zeeland word je ook al snel godvruchtiger). Ik kende dit soort landschap uit andere delen van Nederland, maar nergens ligt het er zo onaangedaan en eeuwig bij als in het dunbevolkte Zeeuws-Vlaanderen.

Dat komt ook doordat er relatief weinig toeristen in dit gebied fietsen. Er komen in Zeeuws-Vlaanderen meer Duitsers dan Nederlanders en meestal zijn het jonge gezinnen die de dag aan zee doorbrengen. Ook dáár kun je trouwens goed fietsen, al is het er drukker: tientallen kilometers over de dijk vanaf Het Zwin bij Cadzand naar Breskens, met aan de ene kant de zee en aan de andere kant de polders – indrukwekkend.

Als de wind, die behoorlijk fel kan zijn, je te machtig wordt, kun je altijd even bijkomen in een van die aardige stadjes: het al genoemde Groede, maar ook Aardenburg, Retranchement en Sluis, waar Johan Hendrik van Dale (die van het woordenboek) een standbeeld in zijn geboorteplaats heeft gekregen. Je moet wel tegen Belgen kunnen als je Sluis bezoekt, want voor hen is Sluis wat Venlo voor de Duitsers is: een plek om met overgave te consumeren.

Zeeuws-Vlaanderen is een schoonheid, maar met littekens. Daarover morgen meer.