Een gedachte kan niet zonder gebeurtenis

Volgens de Pools/Engelse schrijver Stefan Themerson kunnen mensen niet alleen denken over denken.

Het denken moet beginnen met een gedachte, toch?

Duitsland, Berlijn. 2003. Club van denkers uit de voormalige SovjetUnie. Foto maakt deel uit van een serie over Creativiteit: aflevering Wetenschap. (Teichmann/Laif/Hollandse Hoogte) Duitsland, Berlijn. 2003. Een serie over Creativiteit . Club van denkers uit de voormalige Sovjetunie. Mensen. Wetenschap. Foto: Teichmann/Laif/Hollandse Hoogte Club LAIF / Hollandse Hoogte

Een man staat in een café en het barmeisje vraagt of hij zich wel goed voelt, hij ziet er een beetje merkwaardig uit. Hij zegt dat dat wel kan kloppen, hij is namelijk aan het denken. Waarover, vraagt het barmeisje. Over denken, zegt de man. Dat kan niet, zegt het barmeisje. „Mensen kunnen niet alleen denken over denken, je moet ergens over denken, ontbijt, of bier, of seks, of de regering, maakt niet uit, maar je moet met iets beginnen, toch? Anders zou je een gedachte hebben over een gedachte over een gedachte over een gedachte… mij niet gezien!”

Het is een passage in het begin van Logic, labels and flesh van Stefan Themersons , één van die passages uit de literatuur die je eens in de zoveel tijd weer wilt lezen, omdat je er altijd een opgewekt denkend humeur van krijgt.

Ik dacht eraan in verband met denken over het leven, en daaraan dacht ik toen ik het laatste interview met Kees Fens overlas, gemaakt door Jan Tromp van de Volkskrant, en onlangs in een heel kleine oplage uitgegeven. Fens, lezer bij uitstek, iemand met een onuitputtelijke interesse voor het boek, rouwt daarin om het afgesneden zijn van het dagelijkse leven, zoals hem dat op het laatst van zijn leven overkwam, toen zijn beperkte vermogen tot ademhalen hem niet meer toestond om wandelingetjes te maken of überhaupt de deur uit te gaan. Nooit meer in de tram zullen zitten, dat is een vorm van sterven: „De dood is het gemis van het doodgewone”.

Je denkt soms over hoe je moet leven, maar dat betekent niets als je niet leeft, met alle gewone dingen die daarbij horen. Zoals een gedachte zonder verhaal, dus zonder concreet uitgangspunt, niet kan. Ideeën en gedachten kunnen gemakkelijk te abstract worden.

Schrijfster Vonne van der Meer vertelde eens in een interview over de laatste weken van haar moeder. Haar moeder wilde heel graag uitleggen hoe de wasmachine werkte, zodat Vonne deze kon gebruiken. Je zou wellicht geneigd zijn om te zeggen: Mam, laat zitten, dat zoek ik wel uit, dat komt wel goed, maar Van der Meer liet haar rustig uitleggen hoe dat dan ging met die machine. Ze begreep dat het voor haar moeder prettig was om orde te scheppen op dit concrete punt. Daar kon ze dan gerust over zijn.

De wasmachine is heel iets anders dan laatste dingen zeggen die je voor eeuwig gaat onthouden, maar misschien is dat wel zoiets als Themersons barmeisje bedoelt: een gedachte moet met iets beginnen. Het besef van moederlijke zorgzaamheid, of de behoefte van iemand om greep op het leven te hebben, wordt misschien wel beter uitgedrukt in instructies over de wasmachine dan in grote beweringen.

Je ziet er ook aan dat verhalen, zelfs kleine anekdotes, krachtig zijn. Zou Van der Meer iets abstracts over haar moeder gezegd hebben: mijn moeder bleef tot het eind zorgzaam, mijn moeder wilde tot het eind greep op de wereld houden, mijn moeder bleef mij als een onhandig kind zien – dan zou dat me waarschijnlijk niet bijgebleven zijn. Maar het beeld van een doodzieke vrouw die haar dochter wil uitleggen op welke knopjes ze moet drukken om de was te kunnen doen, dat vergeet je niet zo snel.

Zo kan een visie die verpakt is in een verhaal zonder veel weerstand bij de lezer naar binnen dringen, terwijl iemand die gewoon zijn mening geeft verzet oproept. De laatste roman van Leon de Winter, Het recht op terugkeer, laat ons de wereld zien in 2024 en je bent als lezer niet de hele tijd geneigd om te denken: „Ach dat denkt die De Winter alleen maar”, je betrapt jezelf eerder op de gedachte dat je serieus denkt: „Oh, dus zó zal het zijn”. Niet omdat het aannemelijk is dat De Winter in de toekomst kan kijken, maar omdat zijn verhaal overtuigend verteld is. Het is geen mening meer, het is een geschiedenis in verschillende stemmen, die intussen wel degelijk een bepaalde kijk op de wereld geeft.

Precies zo gaat het met je eigen leven. Je vertelt er verhalen over die de indruk wekken van samenhang, bedoeling, logica, en die verhalen geloof je na een poosje, of al heel snel, zelf ook. Dat is een bekend verschijnsel: heb je een herinnering eenmaal verteld, dan is die tot verhaal geworden en wat er was vóór je tot ordening overging, is vrijwel niet meer te achterhalen.

En wat is dan het begin: de visie of de gebeurtenissen? De gebeurtenissen natuurlijk, en die worden, of je dat nu wilt of niet, in het licht gezet van de eigen interpretatie. Maar daarná kun je weer over je interpretatie nadenken, en waarom je de feiten zo rangschikt als je doet. Is dat dan al denken over denken? Nee nog steeds niet, dat heeft een onderwerp.

De man met wie het barmeisje sprak is opgetogen over haar reactie. Hij schrijft op de wc: „Het barmeisje heeft mens sana”. Een andere man ziet dat hij dat geschreven heeft. Hoe weet jij dat ze ongesteld is? vraagt hij. Dat het dat niet betekent, legt de man uit en ook wat het dan wel betekent. Kan wel zijn, vindt de verontwaardigde, maar het wordt anders opgevat. En bovendien: waarom zou haar geest niet privé zijn?

Dat geeft de schrijver toe. De geest is privé. Zo privé dat de werking ervan ook voor onszelf moeilijk te achterhalen is.

    • Marjoleine de Vos