De kunst is het landen

In Peking vinden de Olympische Spelen plaats.

nrc.next-redacteuren testen hun sporttalent. Kunnen ze – met wat training – meedoen aan de Spelen in 2012?

Dit is niet redacteur Eppo König die valt, maar een BMX’er tijdens de dirt course (geen olympisch onderdeel) van de National Adventure Sport Show in Groot-Brittannië in juni dit jaar. (Foto AFP, bewerking Fotodienst NRC) A BMX rider falls as he competes in the National Adventure Sports Show in Shepton Mallet, Somerset, south west England on June 13, 2008. The annual extreme sports event showcases a variety of disciplines including motorcross, BMXing and skateboarding. AFP PHOTO/CARL DE SOUZA AFP

Harde punkrock versplintert de ochtendrust in het Nationaal Sport Centrum Papendal. Het komt uit de krachttrainingsruimte waar brede sporters hightech-fitnessapparatuur te lijf gaan. In de hoek liggen een paar ieniemienie-fietsjes. Kinderfietsjes, eigenlijk.

Het is begin augustus, bloedheet en een van de laatste dagen voor het BMX-team naar Peking vertrekt. Fietscross of BMX (van Bicycle Moto- cross) is dit jaar voor het eerst een olympische sport. Niet de tak freestyle, maar race: acht deelnemers moeten zo snel mogelijk een zandbaan met springheuvels afleggen, 350 meter voor de vrouwen en 370 meter voor de mannen.

„Explosiviteit is enorm belangrijk bij BMX”, zegt bondscoach Bas de Bever – zelf vijfvoudig wereldkampioen. „De eerste meters is het ellebogenwerk om je tegenstanders voor te blijven. De volgorde in de eerste bocht is voor 80 procent hetzelfde bij de finish. Vergelijk het met de 100 of 200 meter sprint. Alleen hebben ze daar keurige baantjes.”

En dan hebben we het nog niet gehad over het vliegwerk. BMX’ers zweven ongeveer de helft van het parcours door de lucht. Sprongen van tien meter zijn niet ongebruikelijk – de kunst is het landen.

De grootste smak van Lieke Klaus (18) uit Wijchen, de enige vrouw in het olympisch team, was in 2004 op het EK in Tsjechië. „Ik weet er zelf niets meer van”, zegt ze. „Ik bleef op de baan liggen. In de ambulance werd ik weer wakker. Ik had mijn rug gebroken.” Na drie, vier maanden kon ze weer fietsen. Het jaar daarop werd ze wereldkampioen.

Klaus is verslingerd sinds ze tien jaar geleden voor haar communie een Loekie BMX-crossfietsje kreeg. Nu is ze er „24 uur per dag” mee bezig. Uitgaan doet ze niet, zonde van de conditie. „Ja, één keer. In Cuijk. Toen heb ik mijn vriend Joost ontmoet. Dat is nu 2,5 jaar geleden.” Wat krijgt ze ervoor terug? „De Olympische Spelen.”

Helder. Op naar Londen in 2012, tijd om zelf te trainen. We lopen naar buiten en in de verte doemt een flinke, zwarte heuvel op. „Ho”, zeg ik. „Ja, dat is de startheuvel”, zegt De Bever. „Wist je dat niet? Acht meter hoog. Met valhek.”

Daar komt olympisch crosser Raymon van der Biezen (21) net omlaag geracet. Hij stuitert over de baan, schiet voorbij met snorrende ketting en balanceert de laatste twintig meter in volle snelheid op zijn achterwiel – even vreemd als een dolfinariumdolfijn die staand door het water glijdt.

„Nu jij”, zegt De Bever. „Rij eerst maar eens een rondje over de atletiekbaan.”

Ik begin aan een ambitieus sprintje en ervaar direct waarom BMX’ers het over een ‘nerveus stuurtje’ hebben. Het stuur staat bijna rechtop, is licht en je kukelt er zo overheen. Op het lage zadel zitten gaat ook niet, je knieën komen al snel op oorhoogte. Staand fietsen dus. En drie keer staand uitrusten. De Bever: „Dat brandt in de benen, he?”

Bovenop de startheuvel ziet de wereld er anders uit. Vooral klein, eigenlijk. Het ding is zo steil, dat ik de kunststofbaan pas in de diepte verder zie lopen. Althans, dat stukje baan tot die joekel van een eerste springheuvel.

„Nog tips?” vraag ik aan Van der Biezen?” „Niet te veel nadenken.”

Ik haal diep adem in mijn helm, klem mijn handschoenen stevig om de handvaten. En daar ga ik omlaag...

Lafjes met de handrem ingedrukt, zoals De Bever me op het hart heeft gedrukt. Eng is het niet, hard gaat het wel. Om niet gelanceerd te worden, vang ik de heuvels op met mijn gewicht. Tussendoor trap ik me gek. Hobbeldebobbel en daar komt alweer de laatste bult. Springen? Ja, nee, ja, nee... half. Een trotse tien centimeter.

De Bever heeft geklokt: „Het team zit hier ongeveer zeven seconden”, zegt hij. „Jij deed het in 22.”

We gaan zitten in de zon, onderaan de startheuvel. Van rechts klinkt plotseling geknaag. „Konijnen!” zegt De Bever. „Ze vreten die hele heuvel op.” Hij geeft een harde klap op het zwarte kunststof. Stilte. Dan gaat het geknaag weer door. „Hmm, niet onder de indruk.”