Bosnische films wentelen zich in Groot Leed

Het Filmfestival van Sarajevo begon in 1994, tijdens de oorlog met Servië. De oorlog is allang voorbij, maar de vrolijke sfeer bedriegt. Zoveel is er niet veranderd.

Marija Karan en Nikolo Kjo in Ctvrti covek (De vierde man) van Dejan Zecevic.

Het leed is eindeloos en uitzichtloos. Snijeg (Sneeuw) van regisseuse Aida Begic, de openingsfilm van het veertiende Filmfestival van Sarajevo, speelt in een klein dorpje in Oost-Bosnië, Slavno, waar moslim-vrouwen treuren over hun mannen, die door Servische strijders zijn weggevoerd en vermoord.

En die daar niet overheen komen – met name hoofdpersoon Alma niet, een gelovig meisje met hoofddoekje, dat inwoont bij haar eveneens streng-islamitische schoonouders. Waar andere dorpsbewoners wel oren hebben naar het aanbod van een projectontwikkelaar het hele dorp op te kopen, blijven zij stijfkoppig opgesloten in hun leed.

Het is, vooral door het camerawerk, een prachtige film, die deels met Iraans geld, deels door het Rotterdamse Hubert Balsfonds is gefinancierd. In Cannes won de film een prijs. De sterke nadruk op de kracht van het islamitische geloof lijkt geen toeval: regisseuse Aida Begic behoort tot de groep, ook in de straten van Sarajevo zichtbare, jongeren in Bosnië die zich nadrukkelijk tot de islam bekeren en zich dienovereenkomstig kleden.

De film speelt in 1997, twee jaar na de beëindiging van de oorlog in Bosnië. Maar is de situatie zoals Begic die schildert heden ten dage heel anders? „Niet erg verschillend”, meent Begic. Ze staat even stil op de rode loper voor de ingang van de Nationale Schouwburg van Sarajevo, waar elke avond de regisseurs en acteurs van de premièrefilms in Amerikaanse stijl binnen schrijden, poseren voor de camera’s en verklaringen afleggen voor de tv-ploegen.

„Er gebeurt niet genoeg voor dorpsbewoners als Alma: er is niet voldoende begrip voor hun leed en ze krijgen niet genoeg hulp”, zegt Begic. Maar ze vindt haar film geen politieke film. Wel een moralistische: de schoonouders nemen het Alma erg kwalijk als zij op eigen houtje met een man heeft gesproken die ze toevallig tegenkwam. „Zoiets is natuurlijk een dilemma voor een moslimvrouw”, meent Begic. „Kiezen voor een nieuw leven of je schoonouders en het geloof volgen?”

Het filmfestival van Sarajevo, in 1994 begonnen met videoprojecties in de kelders van de belegerde en beschoten stad, is in de tussenliggende jaren uitgegroeid tot een belangrijk forum voor films uit heel de regio – niet alleen de republieken van het voormalige Joegoslavië, maar ook de omringende landen. „We vermijden het woord Balkan”, zegt directeur Mirsad Purivatra: „Anders zouden we nooit films uit Hongarije of Turkije kunnen aantrekken”.

De vrolijke sfeer op de rode loper en de hippe cafés die het festivalplein omringen, bedriegt: net als de rest van Bosnië-Herzegovina is de stad Sarajevo de gevolgen van de oorlog nog lang niet te boven. Er is nauwelijks werk, het in twee staatkundige eenheden (de moslim-Kroatische federatie en de Republika Srpska) opgedeelde land verkeert in een staat van bestuurlijke verlamming. Van de kosmopolitische, multiculturele atmosfeer van Sarajevo voor de oorlog is weinig over, ook niet op cultureel gebied.

Behalve in de zomer dan, als ook het filmfestival plaatsvindt: dan nemen veel voormalige inwoners van de stad die inmiddels in het buitenland een heenkomen hebben gezocht, de vakantie te baat voor een nostalgisch bezoek aan de plaats van herkomst. En op het festival herleeft op een bepaalde manier een beetje het oude Joegoslavië: filmmakers en publiek uit Slovenië, Kroatië, Servië en de andere delen van het opgeheven land gaan met elkaar om alsof dat heel gewoon is.

Snijeg is de enige film van betekenis die het afgelopen jaar in Bosnië geproduceerd is. Als er al een film in Bosnië speelt, dan is hij door makers van elders gedraaid en elders geproduceerd.

Dat geldt ook voor een documentaire van anderhalf uur over het drama van Srebrenica, Nebo visoko, a zemlja tvrda (De hemel te hoog, de grond te hard).

De Sloveense filmmaker Rudi Uran laat daarin vier jongeren aan het woord die ‘Srebrenica’ als kind hebben meegemaakt. Dat levert af en toe ontroerende momenten op, maar ook veel voorspelbare uitlatingen over aangedaan onrecht, en door de wereld te weinig erkend groot leed – net als bij Snijeg. Kennelijk is nog te weinig tijd verstreken om in Bosnië een film te draaien die de oorlog vanuit een nieuw, minder in zichzelf gekeerd gezichtspunt vertelt.

Dan hebben de filmmakers in Servië, waar per saldo maar weinig slachtoffers zijn gevallen, het gemakkelijker. Ctvrti covek (De vierde man) van regisseur Dejan Zecevic is een met enorme flair gemaakte actiefilm over Servische officieren van de Joegoslavische militaire inlichtingendienst, die na de oorlog hun know how en hun militaire middelen inzetten voor de opbouw van maffianetwerken in Belgrado.

De hoofdpersoon, die aan geheugenverlies lijdt en door de anderen tot liquidaties wordt aangezet, komt erachter waarmee de rivalen elkaar chanteren: een videoband waarop een oorlogsmisdaad is te zien. Hij blijkt zelf in opdracht van zijn meerderen een tiental onschuldige Bosnische moslims, onder wie een imam, op een rijtje te hebben gezet en doodgeschoten.

Na nog één laatste shoot out brengt de hoofdpersoon zichzelf om het leven. Het enthousiasme onder het premièrepubliek in Sarajevo kende geen grenzen.

    • Raymond van den Boogaard