Vertrek van Musharraf lost vrijwel niets op

Onder Musharraf ging het economisch goed met Pakistan. Zijn regering was minder corrupt dan de vorige. Nu hij weggaat, is het de vraag of het beter gaat, meent Anatol Lieven.

Vertrek van Musharraf lost vrijwel niets op. Tekening Ares Ares

Te oordelen naar de reacties van de mensen waarmee mijn assistent en ik dit weekeinde in de straten van Peshawar hebben gesproken, zullen de meeste Pakistani’s het opstappen van president Pervez Musharraf met veel instemming begroeten. Minder dan 10 procent van de geïnterviewden vond dat hij zijn werk goed had gedaan, ook niet aan het begin van zijn ambtstermijn. De rest zei Musharraf om twee redenen niet te mogen of zelfs te haten: hij is er niet in geslaagd de inflatie een halt toe te roepen, en „hij heeft Amerikaans geld aangenomen om zijn eigen landgenoten te vermoorden.”

De tragedie van Musharraf is dat zijn regering te gronde is gericht door factoren die hij niet in de hand had – met name de betrekkingen met de VS – hoewel sommige van zijn beslissingen ze kunnen hebben verergerd. De tragedie van Pakistan is dat deze factoren van toepassing zijn op alle mogelijke Pakistaanse regeringen.

Musharraf heeft aanzienlijke successen geboekt: het beste economische beheer van Pakistan sinds vele jaren en een groeicijfer dat tot de hoogste van de wereld behoorde. Zijn regering was veel minder corrupt dan die van zijn voorgangers. Hijzelf is nooit op geloofwaardige wijze beschuldigd van persoonlijke corruptie.

Musharrafs eigen tolerante idealen hebben bijgedragen aan een grotere openheid in het Pakistaanse culturele leven, dat zo lang was gesmoord door de nalatenschap van het islamiseringsbeleid onder generaal Zia. Hij zorgde voor de overdracht van een deel van de macht aan gekozen lokale bestuursraden, die mogelijkheden scheppen voor de groei van de democratie in Pakistans districten. Tenslotte ging hij verder dan enig Pakistaanse leider vóór hem bij het zoeken naar een overeenkomst met India.

Uiteraard werd het Musharraf door de Pakistaanse liberalen nooit vergeven dat hij een militair heerser was, ook al hadden de meeste van die liberalen zijn coup in 1999 verwelkomd. Zijn militaire achtergrond kan ook een persoonlijke zwakte hebben geaccentueerd: zijn neiging om impulsieve besluiten te nemen. Noch zijn reputatie, noch de betrekkingen met India kwamen zijn verantwoordelijkheid te boven voor de militair briljante, maar geopolitiek dwaze Kargil-operatie uit 1999. Zijn overhaaste beslissing vorig jaar om het grootste deel van het Hooggerechtshof naar huis te sturen, veroorzaakte een versnelling van de gebeurtenissen die tot zijn val zouden leiden.

Vroeg of laat zou de regering zijn gevallen, om dezelfde redenen die de ondergang van iedere Pakistaanse regering teweegbrengen. Niemand kan het verlangen van de massa naar een hogere levensstandaard bevredigen, al was het maar omdat alle vooruitgang op dit gebied voortdurend wordt ingehaald door bevolkingsgroei. En niemand kan voorzien in de behoefte aan bescherming van de politieke elites. Toch kunnen de staat en het leger niet zonder deze elites regeren, want ideologisch of maatschappelijk ontbreekt het fundament voor het in het leven roepen van een nieuwe politieke massabeweging. Uiteindelijk vinden de elites en de massa elkaar steeds opnieuw in een orgie van niet te stoppen protesten.

Niettemin betekende de ontevredenheid over de burgerlijke alternatieven dat Musharraf het wellicht langer had kunnen uitzingen, als de terreuraanslagen van 11 september 2001 maar niet hadden plaatsgevonden.

Die leidden immers tot de Amerikaanse oorlog tegen de terreur, die de overweldigende meerderheid van de Pakistani’s meer dan zat is. Uit opiniepeilingen blijkt dat het Musharrafs dienstbaarheid aan de VS en zijn – beperkte – hulp in de strijd tegen de Talibaan is die tot de massale vijandigheid jegens hem hebben geleid. Intussen hebben de Amerikaanse media en het Congres Musharrafs ‘bedrog’ aanhoudend aan de kaak gesteld.

Zelfs zijn confrontatie met de rechters van het Hooggerechtshof werd grotendeels in de hand gewerkt door hun onderzoek naar de verdwijning van vermeende islamitische extremisten door toedoen van de veiligheidsdiensten. Bijna iedere Pakistaan die ik heb gesproken, vermoedt dat velen van hen in Amerikaanse gevangenschap zijn ‘verdwenen’. Musharraf zat hopeloos klem tussen de intensieve Amerikaanse druk (zij het vergezeld van substantiële financiële hulp) en de sentimenten van zijn eigen onderdanen.

Maar iedereen die denkt dat de Amerikaanse druk op Pakistan nu zal afnemen, heeft de afgelopen zestig jaar niet zitten opletten. Als de invloed van de Talibaan in Afghanistan zal blijven toenemen, zal de druk van de VS op Pakistan sterker worden om krachtig militair op te treden tegen de steun aan de Talibaan vanuit Pakistans semi-onafhankelijke noordwestelijke grensstreek.

De toenemende invloed van de Pakistaanse Talibaan in Pakistan zelf kan leiden tot een hardere reactie van het leger en sommige politieke partijen. De sterke publieke (en militaire) sympathie voor het Afghaanse ‘verzet’ zorgt er echter voor dat daadwerkelijk optreden tegen de Afghaanse Talibaan een heel andere zaak is. Bovendien betekent het bestaan van een – burgerlijke – coalitieregering dat de politieke partijen en het leger allemaal in de verleiding zullen komen om de hete aardappel aan elkaar door te geven.

De vraag is daarom hoe het de komende jaren zal gaan. Pakistan is veel sterker dan het lijkt en staat bepaald nog niet op instorten. Maar als de VS voortdurend de druk blijven opvoeren, bijvoorbeeld via een invasie over de grond van de noordwestelijke grensstreek, kunnen delen van de staat en het leger zich afscheiden en gevaarlijke brokstukken vormen.

Anatol Lieven is hoogleraar aan King’s College in Londen en onderzoeker bij de New America Foundation. Dit artikel verscheen vanmorgen in Financial Times.

    • Anatol Lieven