Steeds verder

We stonden op het kleine kerkhof waar twee graven naast elkaar in het gras lagen. Achter ons de kleine, zeer oude kerk, voor ons een lage heg, daarachter weilanden, voormalige zeedijkjes, bosjes, schapen. Boven de kerk hingen wolken, er viel regen uit, er klonken ratelende donderslagen. Boven de weilanden was het blauw en helder, in de verte boven de dijkjes scheen de zon.

Het was bespottelijk symbolisch, dat weer. Hoop en licht in de verte. Zwaar weer achter je. De namen op de graven waren van twee goede vrienden. De een is al ruim vijf jaar dood, de ander bijna anderhalf jaar. We staarden naar de stenen met hun namen, keken naar elkaar, naar de verten, en sommigen van ons merkten iets wat we nooit hadden willen merken. Dat we eraan gewend waren geraakt dat ze dood zijn.

Niet dat ze niet gemist worden, dat wel. Maar de gedachte ‘dood’ is niet meer zo schokkend, integendeel eigenlijk, die gedachte is vertrouwd. Onplezierig, maar vertrouwd.

Als iemand net dood is, denk je dat je er nooit aan zult wennen, je wílt er helemaal niet aan wennen. Toen onze vriend net overleden was, hoorde ik een liedje op de radio over een oude vrouw die terugdacht aan haar leven, aan haar huwelijk, en op het laatst werd gezongen dat het theekopje van de man al vijf jaar niet meer gebruikt werd, dat ze zijn voetstappen niet meer verwachtte, eraan gewend was geraakt zijn stem niet meer te horen.

Dat dat gezongen werd, dat er vijf jaar voorbij kunnen gaan, dat je zult wennen aan dat waaraan je nooit wilt wennen – dat vond ik bijna aanstootgevend. Bij rouw hoort ook het gevoel dat er een wond is die nóóit zal helen. En in zekere zin is dat ook zo, het is een onmogelijke gedachte dat iemand die naast je stond, iemand wiens stem je vertrouwd was, van wie je de hoofdbewegingen kende en de lach en de loop, dat die er niet meer is, nooit meer zal zijn. Je kunt het honderd keer herhalen, je kunt het weten, je kunt het niet begrijpen.

Bij verliefdheid gaat het trouwens ook zo. Als je verliefd bent wil je niet geloven dat het ooit weer over zal zijn, je wílt dat ook heel beslist niet, degene die licht uitstraalt, die het leven de moeite waard maakt, die mag niet veranderen in iemand van wie je het ‘best leuk’ vindt om hem of haar te zien. Dat voelt als verraad, bij voorbaat al. Daarom is het ook nooit een troost als iemand zegt bij groot verdriet: ,,Het gaat wel over.” Of wat vrienden zeiden als je liefde dramatisch was geëindigd: ,,Er zijn zoveel mannen op de wereld.” Nee! Er zijn niet zoveel mannen op de wereld! Er is alleen maar die ene! En aan die zul je trouw blijven, altijd, nooit zul je een ander willen.

Maar het went. Heel ongemerkt, maar wel elke dag, verandert je leven.

Ook als er bijna niets gebeurt, ben je toch ruim een jaar later ergens anders. Op de momenten dat je voor altijd stil wilt blijven staan, is die gedachte onaangenaam, maar in een ander opzicht is ze dat niet. Hoopvol is het eigenlijk.

Natuurlijk is het onzin om blauwe lucht in de verte te interpreteren als een zonnige toekomst – wie weet wat die toekomst nog weer voor kersverse onweren gaat brengen. Op één van de twee grafstenen is een Pompejaans dodenhuis te zien, met een deur erin. Die deur staat een beetje open. Je kunt niet zien wat erachter ligt, maar hoe dan ook, de deur staat open. Zulke beelden zijn toch troostrijk, al moet je ze licht nemen, niet als voorspellingen en waarheden, maar als beelden die je met je meedraagt en die richting geven. Je leeft verder, je begint weer, anders, maar onmiskenbaar.

De verrukkelijke, dikke bundel met een keuze uit de gedichten en teksten van de Tsjechische dichter Miroslav Holub die enige tijd geleden verscheen, De geboorte van Sisyphus, begint met het gedicht ‘Ode aan de vreugde’. In het gedicht gaat het over ‘geen hoop’, over neerstortende radiosondes, over mislukkingen. ,,Je vraagt naar het geheim./ Het heeft maar één naam:/ opnieuw.”

Dat is inderdaad een ode aan de vreugde. Opnieuw. Hoe trouweloos het ook voelt tegenover dat wat achter je lag, tegenover die graven daar in dat wijde land.

De doden begrijpen het wel denk ik. Het was ook hun ervaring, dat het leven nooit stilstaat, dat je als je achteromkijkt altijd weet dat je daar niet naar terug kunt, hooguit opnieuw beginnen en opnieuw is altijd anders. ,,Als kariatiden/ torsen we op geheven armen/ de granieten tijd’, schrijft Holub. Dat klinkt zwaar, hij was toen ook nog maar een jonge dichter, jonge dichters zijn vaak wat zwaar in hun woordkeus. Maar hij schrijft er wel dit achteraan, ook zwaar, maar vol levensvreugde: ,,en verslagen/ zullen we altijd winnen.”

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/vos(Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)

    • Marjoleine de Vos