Opkomst van de ‘refozuil’ in het klein

Bestaat er zoiets als ‘typisch Nederlands’? De WRR schreef vorig jaar dat de Nederlandse identiteit steeds verandert. Tweede deel van een zoektocht: wat rest van de verzuiling.

Kerkgangers lopen op zondagochtend voor de orthodox-gereformeerde dienst naar de protestantse Maartenskerk in het dorp Oosterend op Texel. Eerder op de dag had de PKN-gemeente er een dienst. Foto Bram Budel Kerkgangers op zondag ochtend lopen naar de ingang van de protestantse st Maartenskerk in Oosterend op Texel voor de gereformeerde dienst. Voor serie over nederlandse identiteit. FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

Groepjes orthodox-gereformeerde kampeerders schuifelen op zondagochtend door de smalle straten van het vissersdorpje Oosterend op Texel. De dames dragen enkellange rokken en een hoed. Ze zijn op weg naar de eerste kerkdienst. ’s Middags gaan ze nog eens.

Een triest gezicht, vindt dorpsbewoner Cor de Wolf. „In het zwart, de hoofden gebogen, dat kan niet de bedoeling zijn van het leven.” Maar híj heeft er geen last van, benadrukt De Wolf. Toen hij – van huis uit hervormd – zich vijftig jaar geleden met zijn lutherse vrouw in Oosterend vestigde, werd hij gewaarschuwd. De situatie in het bijbeldriftige Oosterend zou „hachelijk” zijn. Door een geschiedenis vol religieuze twisten werd het gehucht wel ‘het Jeruzalem van het noorden’ genoemd.

Sporen daarvan zijn nog steeds zichtbaar. Binnen een straal van enkele honderden meters staan vijf kerken. Dat is veel voor een dorp met nog geen 1.400 inwoners. Maar net als in de rest van het land lopen hier de kerken leeg.

De doopsgezinde kerk hield in 1971 de laatste dienst. De rooms-katholieken kerken nog maar eens per maand. Het gereformeerde kerkgebouw is sinds het samengaan van hervormden en gereformeerden gebarricadeerd met houten schotten. Wie een blik naar binnen wil werpen, moet in het steegje achter de slagerij op een tuintafel klimmen. Het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente, niet te verwarren met de Gereformeerde Kerk, wordt opgeknapt in de zomer.

Alleen de middeleeuwse Maartenskerk, midden in het dorp, is ’s zomers in bedrijf. Hier huist de Protestantse Waddengemeente Texel, onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), waarin hervormden, gereformeerden en luthersen zich in 2004 hebben verenigd. Elke zondag bezoeken zo’n honderd protestanten de dienst. Daarna gaan de bloemetjes en kleedjes van tafel, voordat de ruim driehonderd bevindelijk gereformeerden binnenkomen. Zij huren in de zomer de grote kerk af voor de bezoekers van het gereformeerde bungalowpark De Verrassing.

Verder zie je ze niet, vertelt de Oosterendse Corrie Timmer, zelf hervormd. „Ze zijn verschrikkelijk op zichzelf.” Haar strenggereformeerde buren hebben zelfs „stiekem” een kind gekregen. Het stond niet in de Texelsche Courant, weet Timmer. De ‘zwartekousen’, zoals de bevindelijk gereformeerden wel worden genoemd, wilden ook niet meedoen aan het vijfjaarlijkse historische dorpsfeest, mopperen andere bewoners.

Dat de zwartekousen zich in het dorp afzijdig houden, vinden de meeste Oosterenders nog niet eens zo erg. Maar dat de Gereformeerde Gemeente hier in 2002 een eigen schooltje stichtte en dat een gemeentelid steeds meer onroerend goed in het dorp opkoopt, baart hun zorgen.

„Dit is de opkomst van de refozuil in een notendop”, zegt Fred van Lieburg, hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De ‘herzuiling’ van de bevindelijk gereformeerden in Oosterend is volgens Van Lieburg „exemplarisch voor Nederland”.

De Nederlandse samenleving werd in de eerste helft van de vorige eeuw gekenmerkt door sterke verzuiling. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen organiseerden zich op basis van geloofsovertuiging of ideologie op alle terreinen van het maatschappelijke leven. Een katholiek stemde RKSP, las de Volkskrant, luisterde KRO en bezocht een katholieke sportvereniging. De elites van de zuilen bestuurden samen het land. Tussen hun achterbannen was er onderling weinig contact.

Je ging naar je eigen kruidenier, memoreert Cor de Wolf. „Simpelweg omdat je meer sympathie had voor iemand van de eigen kerk. En bij de voetbalclub speelden de katholieken op zondag, de gereformeerden op zaterdag.” Zijn stokoude overbuurvrouw herinnert zich nog dat zij voor de oorlog weleens de luiken voor de ramen deed, uit angst voor stenen door de ruit. Zij wil niet met haar naam in de krant. Het blijft een teer punt.

Midden jaren zestig werd het verzuilde patroon doorbroken. Vakbonden fuseerden, omroepen volgden niet meer klakkeloos de lijn van de politieke leiders. De ontzuiling werd volgens historici voltooid aan het eind van de jaren zeventig. De katholieken en de protestanten op Texel hebben sindsdien interkerkelijk overleg over armoedebestrijding. In Oosterend trouwt men nu „links en rechts”, zegt Timmer. Doopsgezinden, katholieken en protestanten houden tweemaal per jaar een oecumenische dienst.

Alleen de bevindelijk gereformeerden doen niet mee. Van Lieburg: „Ze weten niet goed om te gaan met de algemene culturele ontwikkelingen, omdat ze vooral terugverlangen naar vroeger.” Sinds de jaren zestig, toen de secularisering werd ingezet, zoeken zij naar houvast in een chaotische tijd, zegt Van Lieburg. „Het is een timide groep. Ze voelen zich veilig in hun eigen sfeer.”

De Gereformeerde Gemeenten – ruim 100.000 leden – behoren tot het meest orthodoxe deel van de ongeveer 500.000 strenggereformeerden in Nederland. Ze bezoeken trouw de kerk, waar de Statenbijbel van kaft tot kaft letterlijk wordt genomen, en onthouden zich van werelds vermaak als zondagsport en televisie. Bevindelijk gereformeerden stemmen doorgaans SGP, lezen het Reformatorisch Dagblad en hebben hun eigen vakbond (RMU).

De meeste strenggereformeerden wonen in de gordel die loopt van Zeeland tot Staphorst, ook wel ‘Biblebelt’ genoemd. Daar werden de afgelopen jaren veel grote kerken bijgebouwd. De orthodox-gereformeerde gemeenschap groeit, in tegenstelling tot andere kerkgenootschappen. Veel gereformeerden uit de grote steden verhuizen naar gemeentes als Barneveld. Daarbij is er veel natuurlijke aanwas – een gezin met zeven kinderen is geen uitzondering in deze kringen.

De Gereformeerde Gemeente op Texel telt nog geen tachtig zielen. De familie Stark vormt de harde kern. Zij stichtte hier in 1967 een kerkgenootschap en vestigde behalve een bungalowpark en een school ook een bedrijf in administratieve software. Secretaris van de kerkenraad – ‘scriba’ – Jac. Stark noemt de enclave in Oosterend niet verzuild. Er is niet veel contact op straat, zegt hij, maar ook geen onmin. „Er worden eigen keuzes gemaakt.”

De strenggereformeerden willen zich niet isoleren, zegt Van Lieburg, maar in de eerste plaats hun eigen levensstijl hanteren. In dat opzicht vergelijkt hij hen met de moslims. „Die verzetten zich ook tegen het secularisme en maken ook gebruik van de vrijheid om hun kinderen op speciale scholen de eigen waarden bij te brengen.”

Ook hoogleraar demografie Jan Latten van de Universiteit van Amsterdam ziet overeenkomsten met de ‘moslimzuil’. Moslims zoeken naar hun eigen identiteit, zegt Latten. „Dat manifesteert zich in het opzetten van eigen netwerken: scholen, sociale contacten, verenigingen. Je ziet het ook aan het trouwpatroon dat wij nog kennen uit de jaren vijftig. Men trouwt binnen de eigen groep.”

Latten noemt de herzuiling „een trend die past in onze samenleving, die steeds verder individualiseert”. Nederland zou steeds verder uiteenvallen in subgroepen, al dan niet op basis van geloofsovertuiging. Moslims zouden dit proces stimuleren. Latten: „Bevindelijk gereformeerden denken: wat moslims kunnen, dat kunnen wij ook.”

    • Leonie van Nierop