Meeslepend verliezen

Zaterdagmiddag werd ik ingehaald door een fietser van 91. Een man die de Spelen van 1928 heeft meegemaakt. Zijn zwarte herenrijwiel kwam met piepende remmen tot stilstand. Het was Piet Kranenberg, de man die Nederland na een strijd van vijftien jaar lang voor een cultuurhistorische ramp wist behoeden. Hij is de man die het Olympisch Stadion van Amsterdam van de slopershamer redde. De Pisbak van Roffel, zoals het vervallen stadion destijds werd genoemd, is nu alweer acht jaar één van de allermooiste stadions in de hele wereld.

Piet had weinig tijd, maar wilde graag even iets kwijt. Die Spelen waren weer prachtig. Wat hij alleen niet begreep: waarom raakten de mensen nu toch in de war omdat de Nederlandse medailleoogst minder was dan voorspeld? Ze deden toch hun stinkende best die atleten, en met zulke minieme verschillen wist je het toch nooit? Ze waren er bij, ze deden toch mee?

Zo ongezouten olympisch hoor je het nog zelden. Michael Phelps koopt er vanzelf al helemaal geen brood voor. Hij is met slechts één doel naar Peking gekomen. Acht keer goud. Met digitale precisie ging de Baltimore Bullet op zijn doel af. En bereikte zijn doel.

Phelps is inmiddels uitgeroepen tot de Koning van de Spelen, de Grootste Olympiër, de Absolute Koning en de Grootste.

Vooropgesteld: die acht gouden races van Phelps in Peking zijn geen half werk. Ze vormen een prestatie die inderdaad nooit eerder is gezien. Maar de Grootste was, is en blijft Muhammad Ali. De Baltimore Bullet is, met zijn inmiddels veertien gouden medailles, nog geen fletse carbondoorslag van de Louisville Lip (één keer goud). Een echt spannende race verliezen, dat is wat je Phelps nu ook eens zou gunnen. De allergrootsten moeten ook mooi kunnen verliezen.

Johan Cruijff kan het. 0-8 in zijn afscheidsduel met Bayern München, met 8-2 verloren van Ajax toen hijzelf bij Feyenoord speelde, een kansloze 4-0 nederlaag met Barcelona in een Champions Leaguefinale. Wijlen Joop van Tijn, hoofdredacteur van Vrij Nederland, vond het erg jammer dat Cruijff in 1994 geen bondscoach werd van Oranje. Met Cruijff erbij, meende hij, bestond tenminste de kans dat Oranje de WK-finale groots en meespelend met 7-4 zou verliezen.

Ali kan het. Ooit werd hij verslagen door Ken Norton, die Ali zelfs een gebroken kaak sloeg. Na afloop zei Norton het geweldig te hebben gevonden tegen zijn idool te mogen vechten. „Then why did you hit me so hard?” was het antwoord van Ali.

Pieter van den Hoogenband kan het, heel goed zelfs. Jarenlang trainen om in nog één allesbeslissende race te winnen, terwijl je weet: de kans dat ik verlies is veel groter.

Erik Pieters kan het. De verdediger uit het voetbalteam van Foppe de Haan schakelde zaterdagmiddag in Shanghai een paar keer (!) het Argentijnse wonderkind Lionel Messi uit, met achteloos gemak. Na het eindsignaal feliciteerde Erik Pieters uit Tiel zo terloops mogelijk zijn opponent Messi uit Buenos Aires. Op een manier die moest uitdrukken: collega’s onder elkaar. Niets bijzonders.

Piet Kranenberg wordt volgende maand 92 en is – waarin hij gelijk heeft – van de Britse opvatting: ‘It doesn’t matter if you win or lose, it’s how you play the game’. Als we dat als uitgangspunt nemen gaat een jongeman uit Veendam alsnog voor goud én zilver én brons: judoka Henk Grol. Schit-te-ren-de sportman!

Wilfried de Jong is met vakantie.

    • Tom Egbers