Ik trekke, jij douwe

We zijn bezig met een serie over de invloed van het roken op onze taal. Vorige week ging het onder meer over woorden en uitdrukkingen voor de ene sigaret met de andere aansteken. Peukneuken, noemen sommige jongeren dat tegenwoordig, dan wel overneuken. Lezers kwamen met diverse aanvullingen. „De ene sigaret met de andere aansteken werd in mijn middelbare schooltijd (Den Haag, jaren zeventig) en ook tijdens mijn studententijd in Leiden (jaren tachtig) in alle mij bekende kringen benoemd met een opneukertje geven.”

Iemand anders schreef: „Dit gebruik ken ik wel uit mijn tienertijd. Je pakte de hand van een straatmaatje met brandende sigaret en zei dan: ‘Mag ik even de jouwe, ik trekken, jij douwen.’ Dat had een dubbele betekenis die je als verse tiener nog ontging.”

Een variant hiervan luidt: mijn hete tegen jouw kouwe, ik trekke (en) jij douwe. „Uit de jaren vijftig”, schreef iemand, „is mij een veel gebruikte, maar enigszins mildere variant van de hete tegen de koude bekend: ‘Mag ik jouw warme even tegen mijn kouwe aanhouden?’ Meestal was dit een vraag van (jonge) mannen onder elkaar en had het nauwelijks een erotische inhoud. Anders lag dit natuurlijk als je een dergelijk verzoek deed aan een jonge vrouw.”

Iemand die ooit zo’n verzoek kreeg van een jonge vrouw, is schrijver en taalkundige René Appel. „In mijn studententijd”, schreef hij, „heb ik korte tijd als werkstudent in de Bijenkorf gewerkt. In korte pauzes werd er dan op een of andere overloop gerookt. Ik stond een keer te roken, toen er een jonge verkoopster naar me toe kwam met een nog niet aangestoken sigaret. Ze zei: ‘Mag ik effe mijn kouwe tegen jouw warme houwe.’ Ik weet nog dat ik enigszins geschokt was door de directe, seksuele ondertoon – we hebben het nu over de jaren zestig.”

Tot nu toe hebben we veel ruimte moeten besteden aan de pijp, omdat dit eeuwenlang het meest gebruikte rookgerei was.

Halverwege de 19de eeuw werd de pijp echter verdrongen door de sigaar. Iemand die deze verandering fraai heeft beschreven, is Nicolaas Beets. Beets studeerde theologie in Leiden en publiceerde in 1839, onder het pseudoniem Hildebrand, het boek Camera Obscura – een van de populairste boeken uit de 19de eeuw. Beets rookte zelf niet, hij had last van de rook en wellicht was hij daarom extra gevoelig voor de gebruiken en veranderingen in rookgedrag.

Je kon in die jaren, schreef Beets in 1887, terugkijkend op zijn jeugdwerk, geen koffiehuis of sociëteit binnenstappen of de kelner kwam op je toegesneld met een Gouwenaar, een Goudse pijp. „Thans heeft de sigaar het rijk in [het voor het zeggen, ES]”, aldus Beets, „bij boer en edelman, kind en grijsaard, wereldlijk en geestelijk, en is in zóó hooge mate ‘fatsoenlijk’, dat het niet verwonderen mag een fatsoenlijk man naar de kerk te zien stappen, met zijn vrouw aan den arm en een sigaar in den mond, of een jong mensch de liefste van zijn hart aan het station in de damescoupé te zien helpen en bij het portier vaarwel zeggen, om zelf in den rook-waggon met de rookers een sigaar te rooken en de asch aan het daartoe bij het portier opzettelijk aangebracht bakje af te strijken.”

(Wordt vervolgd)

Ewoud Sanders

Reacties en aanvullingen naar sanders@nrc.nl