De weg naar Gori: van wijnrank naar oorlog

De snelweg van Tbilisi naar Gori begint in groengele heuvels waar Georgische boeren in alle rust hun druiven inspecteren. Het front blijkt slechts twee blokkades verder te liggen.

Georgische militairen voeren controles uit op de snelweg niet ver van de stad Kaspi, waar Russische troepen zaterdag een brug opbliezen. Foto Oleg Klimov The georgia military team on the road TBilisi-Batumi near Kaspi city. Photo by Oleg Klimov for the article by Michel Krielaars. Klimoc, Oleg

Over de verlaten snelweg van Tbilisi naar Gori doolt een hond. Hij is zojuist de wegblokkade van de Georgische politie bij het historische stadje Mtscheta gepasseerd. Hier, op zo’n twintig kilometer van de Georgische hoofdstad, begint de oorlogszone. Alleen buitenlandse journalisten, politieagenten en militairen worden toegelaten.

De weg leidt door groengele heuvels en langs vredige dorpen. Boerenmeisjes zwemmen in een vijver, een landarbeider inspecteert wijnranken die in september een bittere oogst zullen brengen. Het geweld lijkt ver weg. Het is zaterdagmiddag, rond half vier.

Maar de oorlog is een reus die met stappen van tien kilometer op je af komt. Bij de volgende politieblokkade, bij het dorp Ksani, dragen de agenten kalasjnikovs en kijken ze al veel minder zachtmoedig uit hun ogen. Weer een stap verder is het mis. Bij het dorp Okami, enkele kilometers voor Kaspi, waar sinds zaterdagochtend Russische tanks staan en een cruciale spoorbrug door de Russische troepen zou zijn opgeblazen, staan een militaire vrachtwagen en drie nieuwe pantserwagens met houwitsers aan hun staart. De kanonslopen zijn naar Gori gericht.

In de berm en onder de notenbomen erachter staan zo’n veertig Georgische militairen. Ze dragen geen helmen. Hun schouders zijn ontdaan van rangtekens. Een van hen tuurt door een grote verrekijker heuvelopwaarts. We gaan naar de militairen toe en vragen hoe de situatie bij Kaspi is. „Wie zijn jullie?” vraagt een van hen. Hij ontgrendelt zijn kalasjnikov. Zijn verwilderde gezicht is met camouflagekleuren beschilderd. Zijn bicepsen zijn getatoeëerd. Om zijn hoofd heeft hij een groene zigeunerlap gebonden.

„Waar komen jullie vandaan?” briest hij. Zijn Russisch is bijna onverstaanbaar. Zijn ogen zijn blind voor iedereen die geen uniform draagt, hij kan alleen maar schreeuwen.

„Nederlandse correspondenten”, zeggen we.

„Paspoort! Waar komen jullie vandaan!”

Van Nederland lijkt hij nooit gehoord te hebben. Het zwaaien met een Nederlands paspoort onder zijn neus verandert niets aan zijn agressieve houding.

„Nu jij! Paspoort! Paspoort!” snauwt de militair tegen fotograaf Oleg Klimov. „Waar komen jullie vandaan?” herhaalt hij. Klimov beseft dat het verstandig is zijn Russische pas niet aan Rambo te tonen. „Ik heb mijn paspoort niet bij me”, liegt hij. „Ik heb hem op mijn hotelkamer laten liggen. We komen uit Nederland.”

„Opsodemieteren”, zegt Rambo nu. We klimmen over het betonnen muurtje dat de beide weghelften scheidt en lopen terug naar de auto. Dan barst het schieten los. De militairen openen het vuur op de groene heuvels. Korte droge salvo’s, takketak, takke-takke-takketak. Het klinkt heel anders dan je zou verwachten en duurt een halve minuut. Dan trekken de mannen de heuvels in. Voorwaarts.

Vijfhonderd meter verderop bevindt zich aan de overkant van de weg een grote legermacht. Honderden manschappen van het reguliere Georgische leger en de politietroepen, bewapend met de modernste Amerikaanse wapens. Ze dragen kogelvrije vesten waaruit munitiemagazijnen en handgranaten puilen. In de berm wachten ze op het grote gebeuren.

Langs de betonnen vangrail staan zo’n honderd groene SUV’s, hun neuzen naar Tbilisi gekeerd. Voor als het misgaat en er teruggetrokken moet worden. De goedhartige commandant van de politietroepen zegt dat de weg niet veilig is: „Ik raad iedereen aan om rechtsomkeert te maken. Er wordt hier gevochten.”

Soldaten liggen in de berm of hangen tegen de notenbomen. „Vijfhonderd meter verderop is een wegversperring van Russische tanks”, zegt een van hen laconiek. „Andere Russische tanks rukken op in de heuvels achter ons. Ze proberen ons te omsingelen.”

Op de terugweg naar Tbilisi smeken vluchtelingen om een lift. In de velden lopen tientallen militairen en burgers met kalasjnikovs in de richting van Kaspi. Er hangt de kameraadschappelijke sfeer van een jachtpartij.

Voorbij Okami schept de 45-jarige Georgi Androeladze op een erf cement in een kruiwagen. „Twee dagen geleden zijn veel mensen in deze streek hun dorpen ontvlucht”, zegt hij. „Zelf ben ik vorige week zaterdag uit Gori weggetrokken, toen de Russische luchtbombardementen begonnen. Nu ben ik hier, bij mijn moeder.”

In een kamertje woont ook de 34-jarige Nonu Otijasjvili. „Ik ben bang”, zegt ze. „Maar wat moet ik. Dit is mijn huis. Ik heb geen zin om weg te moeten. Ik blijf, wat er ook gebeurt.”

Even later snelt een klein konvooi zwarte regeringsauto’s op topsnelheid voorbij. Op een van hen prijkt een Ests vlaggetje. De Osseetse oorlog moet opnieuw door diplomaten worden bedwongen. Het staakt-het-vuren is hier een waardeloos vod.

    • Michel Krielaars