Column

Uit mijn duim (slot)

Vroeger heb ik het in mijn theaterprogramma’s wel eens over Liften naar Parijs gehad. Volgens velen te vaak. Volgens mij niet vaak genoeg. Waarom niet? Omdat het natuurlijk niet om het letterlijke tripje naar de Franse hoofdstad gaat, maar om de manier van reizen, of liever: de manier van denken. Vertrekken en niet precies weten hoe laat je ergens aankomt, laat staan dat je weet waar je slaapt en nog belangrijker: met wie.
Ik riep het vooral in de tijd dat mijn hele generatie zich veilig nestelde in de doorzon en twee keer per jaar een of andere voorgebakken confectievakantie van de firma Neckermann consumeerde. Toentertijd werd de sneeuwverzekering uitgevonden en hebben miljoenen soortgenoten zo’n ding afgesloten. Het is zo logisch dat mijn generatie massaal aan de Prozac is.

Van mijn zeventiende tot pakweg mijn vijfentwintigste heb ik gelift, altijd in mijn eentje en die manier van reizen is belangrijk geweest voor de rest van mijn leven. De tijd tussen je zeventiende en vijfentwintigste is natuurlijk sowieso een essentiële periode. In die tijd stel je jezelf de meeste vragen. En misschien ook wel de meeste voorwaarden. Weet nog zo goed hoe ik drie dagen lang met mezelf stond te worstelen bij Lyon, alwaar ik vanaf het drukste liftpunt van Europa probeerde weg te komen en zag hoe uitsluitend de mooie meisjes een lift kregen van hele dikke mannen in nog dikkere auto’s.

Ik stelde mezelf zo veel vragen. Wat wilde ik? Wat moest ik en wat vooral niet? Wat was geluk? Waar vond je het? Bestond het wel? Reve doolde door mijn hoofd. Onbewust neuriede ik dag en nacht Dylan. Het werkelijke antwoord gaven de dikke mannen in de dikke auto’s. Zo zat het.

Na mijn vijfentwintigste kreeg ik zelf een auto. Ik was als leerling met alles laat, dus ook met mijn rijbewijs. Overigens een van mijn twee gehaalde diploma’s. Toen werd het een kwestie van lifters meenemen. Dat was je als ex-lifter aan je stand verplicht. Weemoedig reed ik ze meestal naar het zuiden. Doorgaans waren het rare doch vrolijke types. Bizarre gesprekken over alles. Nooit over werk. Dat laatste was iets waar een beetje lifter gezonde schijt aan had. Hoort ook bij die leeftijd. Wantrouw de drieëntwintigjarige die smult van het arbeidsproces en die het niet erg vindt om elke dag in een grijze kantoorkolos te verdwijnen.

Of ik nu nog zou willen liften? Nee. Ik denk dat het een beetje sneu zou zijn. Te oude man op de vluchtstrook. Hoewel? Als je het doet, moet je jezelf wel een aantal strenge regels opleggen. Beperkt bedrag mee, geen pinpas en mobiele telefoon en dan maar kijken waar het schip strandt. Maar als mensen mij zien staan, weten ze bijna zeker dat er een cameraploeg in de buurt is. Er is namelijk geen een BN’er die nog zoiets spontaans doet zonder dat het wordt gefilmd en uitgezonden.

Maar ik denk dat het mij niet meer zou lukken. Ook ik ben verpest door te veel luxe. Geld maakt nou eenmaal lui en gemakzuchtig. En ongelukkig, zegt men, maar daar heb ik tot nu toe weinig van gemerkt. Ik weet dat er een dag komt dat het in mijn hoofd begint te schemeren en dat ik in een dementenreservaat word opgesloten. Wedden dat ik dan wil liften? Misschien mag het wel van de bejaardenleidster en zorgt ze er voor dat er op het moment dat ik mijn duim opsteek een auto stopt. Een auto betaald door de zorgverzekering.

„Parijs”, zal ik stamelen, waarna ik in mag stappen. Na een uurtje word ik weer bij de portier afgeleverd en heb ik een heerlijke middag gehad.

Maar zo ver is het nog lang niet. Voorlopig neem ik de lifters nog mee. Tenminste: als ze er nog staan. Ik moet wel toegeven dat ik ze niet allemaal meeneem. Eigenlijk uitsluitend mooie meiden. Mooie, verse, jonge, dartele, sprankelende meisjes. Waarom? Ik heb tegenwoordig een hele dikke auto.
Youp van ’t Hek