Staakt het vuren?

Sinds vanmorgen is het staakt-het-vurenverdrag door beide partijen ondertekend. Reden om eindelijk eens te gaan kijken of iedereen zich eraan houdt. Om twee uur vanmiddag vertrokken we dan ook naar Kaspi. Volgens de laatste geruchten waren de Russen sinds gisteravond tot dat stadje, op 45 kilometer van Tbilisi, opgetrokken. Kaspi ligt halverwege Tbilisi en Gori, op zo’n veertig minuten rijden. 

Vlak voordat we vertrokken verscheen het bericht op mijn telex dat de Russen bij Kaspi de spoorbrug hadden opgeblazen, die Tbilisi met het westelijk deel van het land verbindt. Het bericht werd kort daarop door de Russische generale staf ontkend. Extra reden om eens op pad te gaan. Tenslotte is mijn fotograaf een Rus en kunnen we het samen altijd goed met Russisch soldatenvolk vinden.

We hadden Archi, die sinds vorige week vrijdag mijn vaste chauffeur is, gevraagd ons met zijn oude Lada naar het ‘front’ te brengen. Het leek me een goede zet, aangezien enkele van mijn buitenlandse collega’s de afgelopen dagen door Zuid-Ossetische militias van hun dure Japanse terreinwagens zijn beroofd. Elke sluipschutter zou zo’n Oude Schicht als de onze ongedeerd laten doorrijden.

Iets voorbij de historische stad Mtscheta, op zo’n twintig kilometer van Tbilisi, troffen we de eerste wegblokkade van de politie aan. Nadat we gezegd hadden dat we journalisten waren mochten we verder. Zo’n tien kilometer verderop lag een nieuw politiecheckpoint. Dit keer droegen de agenten kalasjnikovs en werd er strenger gecontroleerd. Alleen journalisten, militairen en politiemannen mochten verder.

De snelweg voorbij deze post was verlaten. Ik moest denken aan de Joegoslavië-oorlog, waar hetzelfde aan de hand was. We werden alleen heel af en toe ingehaald door een razendsnelle Mercedes met TV of PRESS op de ramen en motorkap.

Op zo’n anderhalve kilometer voor Kaspi zagen we aan de andere kant van de weg drie pantserwagens met houwitsers staan. In de berm stonden zo’n veertig militairen. We stapten uit en gingen op hem af. Maar dat hadden we beter niet kunnen doen, want de militairen bleken leden van een speciale Georgische eenheid te zijn, die alleen nog maar oorlog zagen en voor de rest van het leven blind waren.

Een van hen wilde ons paspoort zien. Hij was agressief en ongeduldig. Zijn gezicht was beschilderd in camouflagekleuren en om zijn hoofd had hij een groene zeeroverszakdoek. Toen we op hem afliepen zag Oleg, die al dertien oorlogen  heeft verslagen, dat hij zijn kalasjnikov had ontgrendeld.

Ik toonde hem Hare Majesteits identiteitsdocument, maar hij zag niets en vroeg in gebrekkig Russisch herhaaldelijk waar ik vandaan kwam.

,,Nederland”, zei ik. ,,We zijn Nederlandse correspondenten. Uit het land van Sandra Roelofs.” Hij leek me niet te begrijpen en wendde zich tot Oleg. ,,Paspoort!” commandeerde hij. ,,Paspoort! Paspoort! Snel! Snel!”

Op dat moment trokken Oleg en ik beiden bleek weg, want we beseften dat als deze mannen een Russisch paspoort zouden zien ze misschien wel iets heel onaangenaams zouden kunnen doen. Oleg liet hem een brief van de hoofdredacteur zien, waarop stond dat hij al sinds twintig jaar voor NRC Handelsblad werkt.

,,Wat is dat voor een papier?” schreuwde onze ondervrager met nog wildere blik.

,,Hij is zijn paspoort in het hotel vergeten”, zei ik. ,,Hij is een Nederlandse correspondent. Nederland, Holland.”

Oleg en ik, die in het algemeen de charme zelve zijn, lachten de militair vriendelijk toe, en probeerden in de beste imitatie van de brave soldaat Sjvejk onschuldig over te komen. En dat hielp, want hij zwaaide nu met zijn kalasjnikov dat we op moesten donderen.

Op dat moment klonken mitrailleursalvo’s van zijn collega’s. We wisten niet op wie ze schoten. We renden terug naar onze auto aan de overzijde van de weg en zagen hoe de militairen de magazijnen van hun mitrailleurs op de heuvels leegschoten en verderliepen.

,,Wegwezen!”, riep Oleg toen we in de Lada stapten. Maar Archi zat niet achter het stuur en de motorkap van de Lada stond open. ,,Archi! Archi!” riepen we nu. ,,We moeten weg, snel.”

Archie klom nu het talud op met een fles die hij bij een beekje met water had gevuld. ,,De motor is oververhit, er moet water bij!” zei hij kalm. ,,Ze schieten”, riepen wij. ,,Schieten?” vroeg hij. Hij haastte zich nu de motorkap te sluiten en sprong achter het stuur. Hij trapte de Lada op zijn staart en langzaam klom de auto naar de zestig kilometer per uur.

Vijfhonderd meter zagen we aan de overkant van de weg een enorme hoeveelheid Rusische soldaten en politietroepen. Opnieuw Georgiërs.  Omdat er een opening in het betonnen muurtje was dat de beide weghelften van elkaar scheidde, reden we naar hen toe om te vragen of de weg naar de Russen veilig was.

Deze Georgiërs waren uitgerust met de nieuwste Amerikaanse automatische wapens en stonden klaar om in actie te komen. Een politiecommandant (kogelvrijvest, handgranaten, mitrailleur) , die we vroegen of we verder konden, zei: ,,Vijfhonderd  meter verderop is een wegblokkade van twee Russische tanks. Andere tanks zijn ons nu in de heuvels aan het omsingelen. In Kaspi wordt op dit moment alles verwoest.”

Waar of niet, het leek ons toch beter om terug te keren. ,,Als een commandant het je afraadt, moet je altijd luisteren”, zeiden Oleg en Archi.

Op de terugweg werd onze oude schicht een enkele keer ingehaald door een collega-Lada, volgeladen met matrassen en huishoudelijke apparatuur.

Op de andere weghelft snelde in de richting van Gori een konvooi van Georgische regeringsauto’s met een snelheid van 200 kilometer per uur voorbij, gevolgd door een Mercedes met een Ests ambassadeursvlaggetje.

Van een staakt-het-vuren lijkt dus geen sprake.

Als we in Tbilisi bij ons favoriete café De Fakkel aan de Gatsjapoeri zitten om onze stress weg te eten en onze belevenissen aan eigenaresse Nadja te vertellen, zegt zij: ,,Waar jullie geweest zijn, vecht ook mijn 28-jarige zoon.”