Rollators op de oprijlaan

Wie zijn oude dag niet wil slijten in een regulier verzorgingstehuis, moet zelf iets organiseren. Over Gooise, vegetarische en homoseksuele woon-groepen. „Je moet met een lantaarn op zoek naar een geschikte locatie.”

Woongroep ‘Het Kwarteel’ in Culemborg culenborg woongroep voor ouderen foto rien zilvold Zilvold, Rien

‘Mogen we alsjeblieft eens een gehaktbal?”, vroegen de bewoners van landhuis Klein Engelenburg in Brummen een paar weken na de opening aan de chef-kok. Ze konden geen parelhoen of kogelbiefstuk meer zien. In Klein Engelenburg verzekeren welgestelde senioren zich voor zo’n 3.800 euro per maand van een oude dag in ‘hun eigen sfeer’. Een sfeer als in een Brits kostuumdrama. De statige oprijlaan, de parktuin, het beboste pad langs de kwekerij naar de oranjerie: je verwacht er eerder dames met een parasol dan met een rollator. Toch is de jongste bewoner 78 jaar. Hier worden kosten noch moeite gespaard voor een aangename oude dag.

Locatiemanager Kees Jan Brouwer toont de bibliotheek, de parktuin met het zonneterras, de marmeren hal waar elke vrijdag een klassiek concert wordt gegeven en zegt: „Ons doel is dat de mensen die hier wonen, zich thuis voelen. En dat zijn echt niet allemaal baronnen en gravinnen. Gewoon mensen die goed geboerd hebben. Ingenieurs, artsen, ondernemers. Kritisch publiek. We screenen onze medewerkers nauwkeurig op omgangsvormen.” Hier vraagt de huishoudelijke hulp of ze over een kwartiertje terug zal komen, als ze ziet dat er bezoek is; hier neemt de activiteitenbegeleidster desgewenst de hele middag de tijd voor je; hier plant de tuinman graag een rijtje narcissen langs het tuinpad, als je dat vroeger ook zo gewend was. Het aantal zorg- en dienstverleners op de loonlijst is ruim twee keer zo hoog als het aantal bewoners.

Klein Engelenburg is eigendom van Domus Magnus, een snel groeiende organisatie die ‘een hoogwaardig alternatief wil bieden voor de reguliere ouderenzorg’. Initiator Erwin Miedema, een natuurkundig ingenieur van begin dertig, logeerde voor zijn werk op een landgoed in Parijs en dacht: „Op zo’n plek wil ik wel oud worden.” Amper twee jaar later stonden de belangstellenden in de rij voor de negentien zelfstandige zorgappartementen van Klein Engelenburg. Dat is inmiddels bijna drie jaar geleden. In 2007 opende naar vergelijkbaar concept De Magistraat haar deuren in hartje Rotterdam en een derde locatie in een voormalig sanatorium in Ermelo is in de maak. „Er zijn steeds meer ouderen die wat in de portemonnee hebben”, zegt Kees Jan Brouwer.

De bestaande verzorgingshuizen zijn voor veel ouder wordende babyboomers geen aantrekkelijk vooruitzicht. Ze willen zelf de regie hebben over hun oude dag, het liefst met gelijkgestemden. Bij de Landelijke Vereniging Groepswonen van Ouderen (LVGO) melden zich steeds meer groepen die een gezamenlijke woonvorm willen opzetten. De LVGO ondersteunt hen daarbij en dat is geen overbodige luxe, want het oprichten van een woongroep is meestal een kwestie van een lange adem. „Initiatiefnemers in de huursector moeten eerst een woningcorporatie aan hun zijde zien te krijgen, en vaak ook de gemeente”, zegt woordvoerder Jasper Klapwijk van Woonzorg, een landelijke woningcorporatie die zich speciaal richt op senioren. In mei sloot Woonzorg een samenwerkingsovereenkomst met de LVGO om het voor ouderen iets makkelijker te maken om een woongroep te realiseren. „Groepen die gezamenlijk willen kopen, moeten met een lantarentje op zoek naar een geschikte locatie en lopen vervolgens tegen het probleem aan dat hun erven vaak met een onverkoopbaar appartement komen te zitten. En dan hebben we het nog niet eens over alle wet- en regelgeving waar aan moet worden voldaan.”

Jan Lutje Schipholt is oprichtend secretaris van La Vie en Rose, een initiatiefgroep die al jaren ijvert voor een woongroep voor homoseksuele ouderen in Den Haag: „Als homo’s naar een gewoon verzorgingshuis gaan, vereenzamen ze. Wij hebben geen kleinkinderen om over te praten en we willen geen voetbal kijken.” Maar het is niet eenvoudig om de groep bij elkaar te houden tijdens de lange aanloopperiode. „Onze groep bestaat uit zeer zelfstandige mensen”, vertelt Lutje Schipholt. „Eens in de twee maanden eten we met elkaar, we vergaderen regelmatig. Anders waren er al een heleboel afgehaakt.”

De wethouder Bouwen en Wonen van Den Haag wijst elk jaar drie locaties aan voor initiatieven van senioren. Lutje Schipholt: „Wij vielen steeds buiten de boot.” Pas na jaren lobbyen werd op aandringen van de gemeenteraad een plek aangewezen in het centrum van Den Haag. Daar zal bebouwing gesloopt worden ten gunste van een multifunctioneel wijkcentrum met drie woonlagen erop voor La Vie en Rose. Als alles goed gaat, gaat op Roze Zaterdag 2009 symbolisch de eerste paal de grond in en wordt het pand in 2011 opgeleverd. De oprichtend secretaris was 64 toen de eerste stappen voor de woongroep werden gezet. Nu is hij 69. Niet alle initiatiefnemers zullen de realisatie van hun droom nog meemaken. „We hebben het afgelopen jaar al drie mensen verloren.”

De bewoners van seniorenwoongroep ‘Het Kwarteel’ in Culemborg hebben geluk gehad, realiseren ze zich. Hun ecologische appartementencomplex werd eind 2003 opgeleverd. Van buiten oogt het pand als een houten burcht, van binnen blijkt het ruim, licht en speels van opzet. De openslaande deuren van de gemeenschappelijke ruimte komen uit op een balkonterras als van een grand café, met uitzicht op de bloeiende binnentuin. De zithoek met televisie wordt afgeschermd door een grote boekenkast met boeken die de bewoners ‘over’ hadden. Hermans, Hemmingway, maar ook Konsalik. „Wij vormen een afspiegeling van de wijk: gemiddeld wat hoger opgeleid, maar toch gemengd.”

Joop Verweij vertelt over het ‘buitenkansje’ dat het hen mogelijk maakte om zich als groep in Culemborg te vestigen. „De gemeente had extra grond doordat er een waterwingebied vrijkwam. Die kon gekocht worden door projectontwikkelaars en particulieren, op voorwaarde dat er ecologisch gebouwd ging worden.” Met z’n tienen waagden ze de gok: ze kochten voldoende grond voor een complex van 24 zelfstandige woningen, plus een gemeenschappelijke ruimte. „We hebben geïnvesteerd zonder zicht op het eindresultaat”, zegt Verweij. „Daar is een grote mate van vertrouwen en vriendschap voor nodig.”

Tijdens de voorbereidingen wisselde de groep nogal eens van samenstelling. Sommigen kregen koudwatervrees of vonden het naderende eindresultaat niet naar verwachting. Op de vraag of de woongroep alle moeite waard is geweest, is het antwoord unaniem en volmondig ‘ja’. „Zelfs bij de kinderen geeft het rust”, zegt Jan Hanhart, een van de leden van het eerste uur. „Zij zijn blij dat ik hier in goed gezelschap ben. Je hebt toch aanspraak, we organiseren regelmatig gezamenlijke activiteiten en je let een beetje op elkaar.” Maar ze zijn níét elkaars mantelzorgers, onderstrepen ze. „We hebben een soort maatjessysteem ingevoerd, waarbij iedereen wat extra let op bijvoorbeeld zijn buurman. Maar wanneer iemand echt extra zorg nodig heeft, schakelen we de reguliere instanties in.” En als iemand écht te slecht wordt, zoals dat heet? Even valt er een stilte. „Dan moet diegene toch naar een verpleeghuis. Maar dat probeer je natuurlijk zo lang mogelijk uit te stellen.”

Hierin schuilt de achilleshiel van woongroepen voor senioren, denkt Jasper Klapwijk van Woonzorg. „Zolang mensen nog vitaal zijn, gaat het goed. Vaak organiseren senioren zich rond hun zestigste. Ze vormen een actief bestuur, richten een woongroep op en die floreert dan een tijd. Maar als de bewoners een jaar of 75 zijn, dan moet er geleidelijk steeds meer zorg worden ingekocht en verandert de woongroep in een soort verzorgingshuis. Dat maakt het minder aantrekkelijk voor nieuwe aanwas en zo zie je vaak dat leegstand ontstaat.”

Een mengeling van leeftijden voorkomt zulke problemen. Appartementencomplexen waar je vanaf je vijftigste in kunt. Ook ‘gestippeld wonen’ is in opmars als een eenvoudiger haalbare vorm van gezamenlijk wonen: senioren wonen verspreid over een gewoon wooncomplex en huren er gezamenlijk één appartement bij om die te gebruiken als een soort huiskamer.

Doelgroepgericht wonen of niet, uiteindelijk geldt dat de állerlaatste loodjes met een beetje pech alsnog in een verpleeghuis moeten worden afgelegd. En viel het aantal doelgroepgerichte verzorgingshuizen al tegen; in de verpleeghuissector is het doelgroepdenken helemaal nauwelijks doorgedrongen. Verpleeghuis Hogewey in Weesp vormt een uitzondering op die regel. Hier worden de dementerende bewoners ondergebracht in zeven verschillende leefstijlen: stads, christelijk, cultureel, Indisch, ambachtelijk, huiselijk of Goois. „Juist voor verpleeghuisouderen is doelgroepgericht wonen van groot belang”, vindt staffunctionaris kwaliteit en innovatie Yvonne van Amerongen. „Ze moeten zich thuis kunnen voelen, zodat ze, zo goed en zo kwaad als het gaat, hun leven kunnen voortzetten.” De bewoners hebben 24 uur per dag zorg nodig, maar daar wordt zo min mogelijk nadruk op gelegd. „Hier hoeven de mensen niet zo nodig om half acht ’s morgens gewassen en geschoren aan tafel te zitten. Hier sta je op wanneer je wilt, ga je onder de douche hoe laat je wilt en ga je weer naar bed wanneer je wilt. Het moet zoveel mogelijk op het wonen in een gezin lijken.”

Een kijkje in de ‘stadse’ groep biedt een huiselijke aanblik. Een stuk of zes vrouwen zitten voor de televisie met een waterijsje in de hand. Ze kijken naar Frans Bauer. Twee mannen hebben zich van het scherm afgekeerd en mompelen wat tegen het bloemetjesbehang. „Ik weet niet of ze niet van Frans Bauer houden. Zij zijn sowieso wat op zichzelf”, zegt de groepsbegeleidster. Ze mixt het beslag voor een appeltaart. Lekker voor vanavond, bij de koffie. „Eten is op alle groepen heel belangrijk”, legt ze uit. „Hier willen ze om vier uur graag hun borrel, met een stukje kaas erbij.”

In één van de Gooise groepen zit een goed geklede dame aan tafel onder een grote glazen kroonluchter. Ze roert in een gebloemd koffiekopje alsof haar leven er van afhangt. Af en toe schudt ze haar hoofd, ze praat zachtjes in zichzelf. Haar groepsgenoot, eveneens keurig in mantelpak, zit een klein stukje verderop, voor de oudroze vitrinekasten met vazen en beeldjes. Ook zij is ver weg. Ze omklemt de armleuningen van haar rolstoel en draait met haar ogen. De andere bewoners zijn op dit moment naar ‘de verenigingen’: bewonersgroepjes met dezelfde liefhebberijen. Op de porseleinen etagère liggen bonbons en bokkenpootjes. Twee medewerkers in de open keuken pakken net de boodschappen uit: het wordt penne vanavond. „Zalm eten ze ook graag”, weten ze. „Maar geen biefstukjes meer, vanwege het gebit.”

Een paar deuren verderop wordt de groente alvast gesneden voor in de zoetzure saus. Voor de Indische groep geen Bauer op tv, maar een man in sarong tussen veel groen. Alle gezichten zijn op het scherm gericht, niemand zegt wat.

„Een zinnig gesprek kun je met de meeste bewoners niet meer voeren”, erkent Yvonne van Amerongen. De keuze voor de meest passende leefstijl wordt dan ook gemaakt door gesprekken met de familie, een speciaal ontwikkelde digitale ‘leefstijlwijzer’ en een initiële opname in de zogenoemde opnamewoning. „Je ziet of het klikt met de omgeving, of ze zich thuis voelen”, zegt Van Amerongen. „Dan worden ze rustig, of maken ze juist ineens weer contact. Dementerenden in reguliere verpleeghuizen willen vaak de hele dag ‘naar huis’. Hier zijn ze thuis.”

In Klein Engelenburg biedt de activiteitenbegeleidster een statige vrouw haar arm aan. Ze wil haar alvast meenemen naar beneden, waar straks de lunch geserveerd wordt. „Uw tas, mevrouw Ligtenberg”, herinnert de begeleidster haar. „Heb je een tás voor me, wat fijn”, antwoordt deze stralend en ze vertrekken gearmd. Het echtpaar Ligtenberg verhuisde kort geleden naar Klein Engelenburg. De platencollectie van de heer Ligtenberg ligt nog in hun huis in Nijmegen, maar het nageslacht hangt al levensgroot aan de muur tussen de twee monumentale ramen. „Ik was even bang dat het hier een kakkineuze toestand zou zijn, maar het is heel gemoedelijk”, zegt de gepensioneerde huisarts. „Natuurlijk is het een emotionele stap. Maar mijn vrouw heeft Alzheimer en het ging niet langer, thuis. Zolang je geen psychiatrische patiënt wordt die overlast veroorzaakt voor de overige bewoners, hoef je hier ook nooit meer weg. Nu weet ik zeker dat we tot het einde bij elkaar kunnen blijven.” „Het is hier geweldig”, verzekert even later een bewoonster aan de lunchtafel. „Ze doen alles voor je, niks is te gek”. Vier tafelgenoten knikken instemmend, maar een vijfde, ‘weduwe van een groothandelaar in edelstenen’ kijkt schamper. „We zitten hier best”, geeft ze toe. „Maar we worden evengoed oud. Daar helpt geen rooie rotcent aan.”

    • Annelies Roon