‘Over 25 jaar is succes pas duidelijk’

Gaat de opbouw in Uruzgan te langzaam? Nee, zegt ex-commandant Van Harskamp. Het gaat langzaam. „We zijn daar een land aan het bouwen, niet aan het opbouwen.”

Kolonel Richard van Harskamp: „Voor het eerst hebben we dorpjes aan de rand van de inktvlek bereikt.” Foto Floren van Olden Den Haag Ministerie van Defensie 13-8-2008 Kolonel Richard van Harskamp de baas van Uruzgan. Foto Floren van Olden Olden, Floren van

Met Uruzgan is het als met de koers van de AEX, zegt kolonel Richard van Harskamp (45). „Analisten vinden er allemaal wat van, maar niemand weet of de koers zal dalen of stijgen.” En zo weet ook niemand hoe het Uruzgan zal vergaan.

Vorige week kwam Van Harskamp terug uit Uruzgan. Meer dan zes maanden was hij commandant van de missie, de laatste onder het ‘oude’ mandaat (de missie die begon op 1 augustus 2006 en die zou eindigen op 1 augustus van dit jaar).

Het kabinet besliste dat de operatie moest worden verlengd. Begin deze maand ging het nieuwe mandaat in. Dit keer moet er meer van de wederopbouw terechtkomen, bepaalde het kabinet afgelopen winter.

Lukt dat? Volgens Van Harskamp wel. Hij noemt de komst van de Duitse non-gouvernementele hulporganisatie GTZ, die 35 miljoen euro kreeg van Nederland om een weg te bouwen en het lokale bestuur te ondersteunen. Ook openen de VN in oktober een kantoor in Uruzgan. Het hoofd veiligheid van de VN is er net geweest. „Die kwam laaiend enthousiast terug.”

Maar tegelijkertijd blijkt uit rapportages dat de Talibaan langzaam oprukken naar Kabul. Meer in het zuiden, in Kandahar, wist de Talibaan strijdmakkers uit de gevangenis te bevrijden. Dat toont volgens Van Harskamp aan dat de Talibaan de bevolking nog steeds onder druk zet mee te werken met de strijders. „Waar haalt de Talibaan anders een vrachtwagen explosieven vandaan?”

In Uruzgan ontploffen steeds vaker bermbommen. Afgelopen weekend nog raakten vier Nederlandse militairen gewond toen ze over een bermbom reden in de Baluchi-vallei. Van Harskamp: „Als het allemaal zo goed zou gaan dan hadden we niet de krijgsmacht, maar de padvinderij gestuurd.” Grote aanvallen van de rebellen zijn echter uitgebleven. Daardoor konden militairen op plekken komen waar ze nooit eerder zijn geweest. „Voor het eerst hebben we dorpjes aan de rand van de inktvlek bereikt.”

De eerste twee jaar van de missie kostte aan zestien Nederlandse militairen het leven en werd er 650 miljoen euro besteed (begroot was 380 miljoen). Ook raakten bijna honderd militairen gewond. Maar er worden ook scholen gebouwd, de gezondheidszorg is versterkt en de handel komt op gang. Commandant der strijdkrachten generaal Van Uhm toonde vorige maand een foto van Uruzgan in het donker. Zwart, maar met lichtpuntjes. Kijk zelf maar, zei hij, er is zelfs elektriciteit.

„Pas over 25 jaar kan ik zeggen of het echt een succes is geweest of niet”, zegt Van Harskamp. „Maar dat wil niet zeggen dat je het daarom maar niet moet proberen. We zijn daar een land aan het bouwen, niet aan het opbouwen.”

Ondertussen neemt de kritiek toe: de SP vraagt zich af of het zin heeft honderden miljoen te stoppen in een missie waarvan het succes op lange termijn onzeker is. Kamerlid Harry van Bommel stelde onlangs voor om de Algemene Rekenkamer onderzoek te laten doen naar de kosten van de missie. Dat komt er niet; er is geen Kamermeerderheid.

Van Harskamp: „Onze hele Nederlandse maatschappij is op succes gericht. Op Kamp Holland voelde ik de druk van mensen die zeggen dat het allemaal veel te langzaam gaat. Maar het gaat niet te langzaam. In Uruzgan hadden we tot voor kort de grootste roofman die je kunt bedenken en daarna Munib als gouverneur [die nauwe banden bleek te onderhouden met de Talibaan, red.]. Nu zit er een capabele man. Dat is de vooruitgang.”

Maar ieder succes, zoals het aanleggen van een gsm-netwerk, kan het fragiele evenwicht in gevaar brengen. „Je ziet nu dat ieder stamhoofd met elk klein probleempje naar de Afghaanse president Karzai belt.” Fnuikend, noemt Van Harskamp dat, want de president neemt aan de telefoon ad hoc beslissingen. „Met als gevolg dat niemand precies weet wat hij doet in Uruzgan.” Vroeger, voor de komst van de NAVO, reikte het gezag niet verder dan de wanden van de vallei waar het stamhoofd de baas was. Nu wordt er van diezelfde stamhoofden verwacht dat ze overleggen met de gouverneur, die weer met de president in contact staat.

En de Afghanen zelf, hoe kijken zij naar de missie? „Ik word nooit verrast door een Afghaan die zelf iets heeft geregeld”, zei een Nederlandse kapitein in Uruzgan tegen deze krant. „Ze zijn nooit eens dankbaar, de Afghanen. Geef je ze een deken, dan willen ze er twee. Geef je kinderen twee pennen, dan willen ze er drie.”

Is er dan niets veranderd sinds het kolonialisme, vroeg de onlangs overleden columnist J.A.A. van Doorn zich dit voorjaar af. In zijn column in Trouw schreef hij: „Vertegenwoordigers van een rijk land die met een forse zak geld gewapend een straatarme bevolking allerlei gunsten opdringen, hoeven niet op dankbaarheid te rekenen. In voormalige koloniën ging het precies zo. De kolonisator kon menen achterlijke gebieden tot levensvatbare staten te hebben omgevormd en daarvoor enige waardering te mogen ontvangen, maar bij het afscheid dat dekolonisatie heette, werd doorgaans alleen over ‘vreemde’ invloed geklaagd. Ook de militairen en opbouwwerkers in Afghanistan zullen voor de bevolking ‘vreemdelingen’ blijven.”

Dat is het universele probleem van een humanitaire missie: „Vragen om het vragen”, zegt Van Harskamp. Ervan uitgaan dat je altijd meer kunt krijgen. „Toen ik in Irak zat gaf ik de politie veertien gloednieuwe politieauto’s. Het enige dat ik te horen kreeg was: waarom zit er geen airconditioning in? Er gaan generaties overheen voordat het woord ‘duurzaamheid’ beklijft.”

Over meer dan twee jaar, in 2010, zullen de Nederlandse soldaten uit Uruzgan vertrekken. Dan zullen Afghaanse strijdkrachten de provincie overnemen, misschien met hulp van de internationale troepenmacht. „Om nou te zeggen dat de Afghanen volledig zelfstandig kunnen opereren: als je dat zegt ben je onzorgvuldig bezig. Veiligheid is een systeem. In Nederland heb je de brandweer, je hebt het leger, politie, de gemeente, een rechterlijke macht, de Provinciale Staten, noem maar op. In Afghanistan moet je een gouverneur hebben die afgewogen opdrachten kan geven. Er moet een juridisch apparaat zijn dat ook echt onpartijdig recht kan spreken. En er moet wel een scheiding van machten zijn tussen leger en politie. Dat is heel weerbarstige materie. Daar zullen de Afghanen de internationale gemeenschap voor nodig hebben. Ook na 2010.”

Meer over de missie op nrc.nl/uruzgan

    • Jaus Müller