Meer dan een grote man op een kleine fiets

Hoewel Robert de Wilde al jong ontdekte dat hij aanleg had voor fietscrossen, brak hij relatief laat door. In Peking gaat hij voor goud. „Ik ben een individualist.”

Robert de Wilde: „Fietscross is een explosieve sport. Dat korte, dat krachtige, daar houd ik van.” Foto Bas Czerwinski 15-08-08, Beijing, China. Robert de Wilde, BMX. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Naar goed Amerikaans gebruik kreeg ook Robert de Wilde een bijnaam. ‘Afro Bob’ wordt de Nederlandse fietscrosser genoemd, vanwege zijn wilde haardos en zijn ongeschoren gezicht. Een geuzennaam, vindt De Wilde, die bij de Spelen de eerste olympisch kampioen BMX wil worden. „Anders had ik niet naar Peking hoeven komen.”

Als het niet uit de mond van De Wilde was gekomen, had het als grootspraak geklonken. De geboren Kampenaar is geen man van holle frasen. Bovendien heeft hij recht van spreken, want De Wilde heeft in zijn sport alle titels gewonnen die er te winnen zijn. Hij heeft alleen de pech dat fietscross in Nederland een kleine sport is en zijn vertrek naar de Verenigde Staten om professional te worden, acht jaar geleden, vrijwel onopgemerkt is gebleven.

Maar sinds fietscross een olympische sport is geworden en in Peking voor het eerst op het programma staat, komt daar langzaam maar zeker verandering in. En wordt ook De Wilde steeds bekender, vooral vanwege zijn woeste uiterlijk. Een imago dat hij koestert, maar niet bewust gecreëerd heeft. „Op een goed moment was het mode je hoofd kaal te scheren. Ik besloot van de weeromstuit het weinige haar dat ik had te laten groeien. Met dit kapsel als resultaat. Vond ik grappig. Maar waar ik die naam ‘Afro Bob’ aan te danken heb, weet ik niet. Opeens werd ik zo genoemd. Waarschijnlijk is het verzonnen door een verslaggever. Maar het verhaal dat ik mijn haar nooit kam, klopt niet. Ik heb me vanochtend gewoon gedoucht en mijn haar gekamd.”

Die houding is exemplarisch voor De Wilde, die gesteld is op zijn vrijheid. De fietscrosser laat zich moeilijk vangen in structuren. Het was voor hem al een grote stap zich ter voorbereiding op de Olympische Spelen met andere fietscrossers enige maanden terug te trekken op het nationale sportcentrum Papendal. Het ging ook wel eens mis, erkent hij. Niet uit afkeer van zijn teamgenoten – „onder elkaar is het keigezellig” – maar omdat hij soms kregel wordt van regeltjes. „Ik ben nu eenmaal een eenling. Jarenlang heb ik alles zelf gedaan en dan valt het niet mee met anderen rekening te moeten houden. Ik heb daar moeite mee. Ik had ook in Californië (De Wilde woont in Foothill Ranch, ten zuiden van Los Angeles, red.) kunnen blijven, maar dan had ik via e-mail en de telefoon met bondscoach Bas de Bever moeten communiceren. We kwamen al snel tot de conclusie dat zoiets niet werkt. Dus heb ik gekozen voor de nationale ploeg. Maar ja, dan komen er momenten waarop frustraties eruit moeten.”

Zo’n uitbarsting kende De Wilde afgelopen week tijdens een trainingskamp in Taiyuan, op een uurtje vliegen van Peking. „Waarschijnlijk door de toenemende spanning vanwege de naderende wedstrijd had ik even genoeg van het stramien. Gelukkig ziet de coach het moment van ontploffen meestal aankomen en weet hij me te bedaren. Op zo’n moment zie ik niet het nut van regels. Wat maakt het nou uit of je een kwartier eerder of later gaat trainen? Als je maar traint, denk ik dan. Ja, aanvankelijk keken de anderen daar raar van op. Maar intussen kennen ze me wat beter en hebben ze meer begrip.”

Anderzijds realiseert De Wilde zich maar al te goed dat de Olympische Spelen zijn carrière hebben gerekt en het voor zijn kansen in Peking beter was dat hij zich op Papendal aan de tucht van nationale selectie onderwierp. Na de aanslag op de Twin Towers in New York nam volgens De Wilde het vertrouwen in de economie af en trokken de sponsors zich terug uit het fietscrossen. „Ik had bijvoorbeeld een contract bij fietsfabrikant GT, waarvan ik redelijk kon rondkomen. Tot Panasonic als teamsponsor stopte en zich geen opvolger aandiende. Vanaf dat moment moest ik me zien te redden. Door de hoge reiskosten werd de sport op een goed moment onbetaalbaar. Ik stond op het punt te stoppen, tot ik als olympische sporter in aanmerking kwam voor de financiële bijdrage van sportkoepel NOC*NSF. Daarnaast had ik het geluk dat mijn vrouw een werkvergunning voor de Verenigde Staten kreeg en een baan vond. Daardoor kon ik verder.”

Gelukkig voor De Wilde hoefde hij niet noodgedwongen terug te keren naar zijn vaderland. Hij is te veel veramerikaniseerd om zich probleemloos te kunnen schikken naar de Nederlandse mores. Zijn toekomst ligt in de Verenigde Staten, waar hij de vrijheid en de ruimte heeft leren waarderen. „En dat zit hem in kleine dingen”, zegt de immigrant. „In Nederland zijn de winkels maar tot zes uur open, de parkeerplaatsen krapper en moet ik me in een druk café met mijn ellebogen naar de bar toe werken. Dat was me nooit opgevallen, tot ik terugkeerde. Gelukkig is er nu een rookverbod in de horeca van kracht, want ik vond dat er ook erg veel werd gerookt in Nederland.”

Hoezeer hij aan het Amerikaanse leven is gewend, naturaliseren is geen optie voor De Wilde. „Ik ben en blijf een Nederlander. Ik wil alleen graag in de Verenigde Staten wonen. Het leven is er zo veel gemakkelijker. Dat gevoel is met de jaren gekomen, want in het begin hadden mijn vrouw en ik behoorlijk last van heimwee. Maar intussen zijn we gewend. Nee, over mijn toekomst heb ik niet nadacht. Ja, dat we kinderen willen, maar verder niet. Ik ben niet zo’n planner. Eerst de Olympische Spelen en dan zie ik wel verder.”

Zo kan het leven zich ontwikkelen van een jongen die op zijn vijfde verjaardag een crossfiets kreeg. Hij wist destijds niet dat hij over talent beschikte en de sport bij zijn karakter paste. „Het spelen met de fiets, het kunnen doen en laten wat je wilt, dat sprak me aan. En de actie natuurlijk; fietscross is een explosieve sport. Dat korte, krachtige, daar houd ik van. Een wielerkoers? Ik moet er niet aan denken. Veel te langdradig. Teamsporten? Dat is ook niets voor mij. Ik ben een individualist.”

Hoewel De Wilde als jongen zijn derde wedstrijd al won en snel ontdekte dat hij aanleg voor fietscrossen had, brak hij relatief laat door. Dat had te maken met zijn tengere postuur en gebrek aan kracht. Hij kreeg wel begeleiding bij zijn club in Kampen, enige tijd van Marco van Bon, de broer van oud-wielrenner Léon van Bon, maar grotendeels heeft De Wilde zelf zijn weg moeten vinden. Fietscross was een sport in ontwikkeling. „Pas toen ik in 2000 professional werd, ging ik met sprongen vooruit, vooral dankzij duur- en krachttraining. En sinds ik met De Bever samenwerk, zijn de trainingen gestructureerd. Doordat ik veel zaken zelf moest uitvinden, heb ik veel fouten gemaakt. Zeker, het had beter gekund. Maar misschien had ik dan niet zo veel lol aan mijn sport beleefd.”

De Wilde’s ontwikkeling voltrok zich op vrij natuurlijke wijze. Veel is hem overkomen. Zoals prof worden in de Verenigde Staten. Hijzelf zag zijn toekomst als elektricien, het beroep dat hij tot en met zijn drieëntwintigste uitoefende. „Mooi vak, maar moeilijk met sport te combineren. En dan had ik nog geluk dat mijn toenmalige werkgever me alle medewerking verleende. Maar voor mijn ambities was het een verkeerd beroep; na een dag sjouwen was je kapot als je ’s avonds nog moest trainen. Ik hoefde niet lang na te denken toen een sponsor me aanbood naar Amerika te gaan. Het was even slikken om voor het eerst op eigen benen te staan, maar ik heb er geen spijt van.”

Buitenstaanders kijken vaak vreemd aan tegen BMX, dat staat voor Bicycle Motorcross en in de jaren zestig in Californië is voortgekomen uit motorcross. Aan het beeld van grote mannen op kleine fietsen kan niet iedereen wennen. De Wilde begrijpt die reactie. Hij is graag bereid tot uitleg, zo lang er maar sprake is van respect. Meewarigheid stoort hem mateloos. „Nu we een olympische sport zijn, komen we in contact met andere sporten en groeit het begrip. Op Papendal zien andere sporters dat wij serieus trainen. En hier in Peking delen we een appartement met schermer Bas Verwijlen. Dan vraag ik hem over schermen, want van die sport weet ik niets. Natuurlijk zullen er altijd mensen blijven die BMX een kindersport vinden. Ik kan me er niet druk om maken. Ik doe mijn ding, woon lekker in Californië en heb plezier in wat ik doe. Ik denk dan: lach jij maar.”

Nu hij bij de Olympische Spelen is, merkt De Wilde pas wat status met een sport kan doen. Waar hij in het verleden werd genegeerd, stromen de reacties nu binnen. Vooral nadat hij werd herkend bij de openingsceremonie, liep de e-mailbak vol. „Ik kreeg er kippenvel van. Je weet wel dat de Olympische Spelen groot zijn, maar het raakte me nooit. Nu weet ik beter. Het is met geen woorden te beschrijven.”

De Wilde heeft een missie in Peking. Voor hem telt alleen de gouden medaille. Hij is een kanshebber, zeker, maar dat geldt voor nog zo’n twintig anderen. Aan zijn voorbereiding heeft het niet gelegen, want op Papendal was de starthill van Peking nagebouwd en heeft De Wilde veel op de start kunnen oefenen. Want die is cruciaal bij fietscross. Het is De Wilde’s specialiteit, hoewel hij die het laatste jaar niet zo veel heeft laten zien, want in 2007 heeft hij tegenvallend gepresteerd.

De Wilde kent geen aarzeling als het om zijn kansen gaat, maar hij verliest de realiteit niet uit het oog. „Winnen is reëel, maar je hebt het niet altijd zelf in de hand. Bij fietscross is de scheidslijn tussen een topprestatie en een valpartij heel dun. Er hoeft maar een tegenstander tegen je achterwiel te rijden en het is gebeurd met je. Ja, ik heb ervaring, dat is in mijn voordeel. Maar dat biedt geen garantie voor succes. De enige zekerheid is, dat het starthek valt. Meer is er niet te zeggen. Nee, aan strategie heb je niets. Fietscrossen is een kwestie van veel anticiperen tijdens de wedstrijd. Ja, daar ben ik redelijk goed in.”

En doping? Volgens De Wilde is dat onder fietscrossers geen item. „Er wordt veel gecontroleerd. Zo lang ik rijd, kan ik me maar twee dopinggevallen herinneren. Wat ik vervelender vind is het invullen van whereabouts. Sinds BMX een olympische sport is, moeten we dagelijks onze verblijfplaatsen opgeven. Ik word er knettergek van.”

    • Henk Stouwdam