Klimaatmodel gaat nat

Nederland warmt snel op. De regering maakt zich nu zorgen over de waterafvoer, maar of het natter wordt is onzeker. Karel Knip

Afwijkende trend in de Europese opwarming vergeleken met de mondiale trend in temperatuur (in graad lokaal per graad mondiaal gemiddelde). knmi KMNI

Twee weken geleden verscheen het nieuwste klimaatrapport van het KNMI en het is niet onopgemerkt gebleven. Nederland warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld gemiddeld doet. Staatssecretaris Huizinga, die het rapport ontving, luidde gelijk weer de noodklok. We staan voor een grote uitdaging en ingrijpende keuzes. De lokale opwarming heeft consequenties voor regenval, voor het waterpeil in de rivieren en het grondwater.

Vooral het water zit de staatssecretaris hoog. Ze installeerde vorig jaar een nieuwe Deltacommissie die op 3 september in een rapport moet laten zien hoe Nederland zich op extreme scenario’s kan voorbereiden. En later dit jaar wordt ook nog een Nationaal Waterplan gepresenteerd.

Dat de temperatuurstijging in Nederland sinds 1950 twee keer zo hoog was als gemiddeld voor de hele wereld is onaangenaam voor Nederland, maar is au fond niets bijzonders. Het zou een wonder zijn als het overal op aarde even snel opwarmde. De tropen en de oceanen blijven wat achter op het gemiddelde en de polen lopen voor. Dat ‘gemiddelde’ voor de hele aarde wordt door twee onafhankelijk werkende onderzoeksgroepen (een Amerikaanse en een Engelse) uit dezelfde waarnemingen berekend. De gerenommeerde klimaatmodellen die voor het ‘voorspellen’ van het komend klimaat gebruikt worden kunnen het mondiale temperatuurverloop tussen 1950 en 2000 heel behoorlijk reconstrueren. Daarop berust ook het vertrouwen in die modellen.

Pijnlijk dat het KNMI moest melden dat geen enkel gerenommeerd klimaatmodel de snelle opwarming in Nederland en een flink deel van Europa tussen 1950 en 2000 behoorlijk kon nabootsen. En de extra opwarming is zo groot dat statistisch overtuigend valt te bewijzen dat hij niet aan natuurlijke klimaatvariatie kan worden toegeschreven. Daaruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de modellen nog belangrijke tekorten hebben.

De kwestie wordt in het KNMI-rapport (www.knmi.nl) besproken in het hoofdstuk ‘Nederland warmt sneller op dan verwacht’. Het is een leesbare versie van een wetenschappelijk artikel dat binnenkort verschijnt. Daarin worden verschillende verklaringen geopperd voor de discrepantie tussen model en praktijk: circulatiepatronen zijn veranderd, de opwarming van de Atlantische oceaan is onderschat en Frankrijk droogt ’s zomers zó uit dat onze zuidenwind warmer en droger is dan vroeger. Dat scheelt ook in bewolking.

De vraag die ook staatssecretaris Huizinga, die zich zo over het water bekommert, moet bezig houden is: hoe ontwikkelde de neerslag in Nederland zich de afgelopen halve eeuw ten opzichte van de berekeningen die de klimaatmodellen daarvoor maakten. Of liever gezegd: hoe zit het met het verschil van neerslag en verdamping, dus het neerslagtekort of -overschot, want dat is praktisch van belang. Klopte dat wèl met de modellen of ook niet? Een expliciete beschouwing daarover ontbrak in het rapport.

“Er valt weinig met zekerheid over te zeggen”, zegt Sybren Drijfhout (een de van de auteurs van de studie), “de trends in neerslag zijn te klein om ze te kunnen onderscheiden van de natuurlijke variatie. Neerslag is van nature al een grillig fenomeen en hoe kleiner het gebied dat je observeert, hoe ongunstiger de signaal-ruis verhouding.”

Het blijkt dat het voor kleine gebieden als de toevloeiingsgebieden van Rijn en Maas nog een paar decennia kan duren voor het signaal (de trend) door de ruis heen klinkt. Wel is voor Nederland duidelijk aangetoond dat de hoeveelheid neerslag in de kustgebieden toeneemt. De warmer wordende Noordzee is daarvoor waarschijnlijk de verklaring. Ook blijkt de totale neerslag in Nederland de afgelopen eeuw met zo’n 13 procent te zijn toegenomen. Maar of de ontwikkelingen van de afgelopen decennia wel of niet significant afwijken van modelberekeningen, dat is onbekend.

Het is een verontrustende mededeling. Het betekent dat op regionaal niveau de betrouwbaarheid van de klimaatmodellen in het voorspellen van veranderingen in neerslagoverschot of -tekort nauwelijks is te toetsen. Er is dus nog helemaal niet zoveel zekerheid over hetgeen er staat te gebeuren in het stroomgebied van Rijn en Maas. Het rapport dat Rijkswaterstaat vorig jaar publiceerde over de relatie tussen klimaatverandering en de afvoer van Rijn en Maas opperde allerlei onaangename ontwikkelingen als mogelijkheid – de afvoer in de winter gaat misschien wel groter worden, die in de zomer juist kleiner – maar bij nader inzien is de notitie dat er ‘nog grote onzekerheden’ zijn zeker zo interessant.

Een basaal vertrouwen in de kracht van klimaatmodellen kan komen van een artikel dat de Duitse onderzoekers Jonas Bhend en Hans von Storch, verbonden aan het instituut voor kustonderzoek in Geesthacht, publiceerden in Climate Dynamics (online 4 december 2007). Zij vergeleken het ruimtelijk patroon waarin de winterneerslag van Noord-Europa (Scandinavië, Baltische staten) tussen 1960 en 1990 op aarde viel met wat vier klimaatmodellen voor dat interval aanwezen en vonden bevredigende overeenstemming.

Daar staat weer tegenover dat er aan de afvoer van Maas en Rijn ondanks alle verontrustende mededelingen daarover tot op heden niets bijzonders te zien is. Noch in de gemiddelde noch in de maximale afvoer van Rijn of Maas treedt een verontrustende trend op (langjarige statistiek op www.waterstat.nl). De extreme afvoeren die zich een paar jaar geleden voordeden passen zo te zien volkomen in de natuurlijke variabiliteit.

Ook met de zee loopt het zo’n vaart niet. De zeespiegel stijgt, maar hij stijgt al zeker 150 jaar en sinds 1930 gaat dat in een heel constant tempo. Het laatste IPCC-rapport (van 2007) kan geen grafieken laten zien waaruit een versneld tempo valt af te leiden. Het IPCC heeft in de loop van de jaren zijn verwachtingen voor toekomstige zeespiegelstijging steeds verder naar beneden bijgesteld en maakte in het laatste rapport opnieuw een krachtig voorbehoud: het is nog steeds niet goed bekend hoe Groenland en Antarctica reageren. Wel lijken de veranderingen er zeer verontrustend.

Voorlopig stijgt de zeespiegel in haar vooroorlogse tempo. Daarbij kan het extra geruststellend zijn te weten dat er steeds minder stormen voorkomen in Nederland. ‘Sinds 1962 neemt het aantal periodes met sterke wind af’, noteert het KNMI-rapport stijfjes. De plotselinge angst voor het water die zoveel Nederlanders in zijn greep heeft gekregen is dan ook niet zo goed te begrijpen. Maar misschien dat het Nationaal Waterplan daar een verklaring voor heeft.

    • Karel Knip