In België is de patiënt koning

De ziekenhuisarts is wat streng, de huisarts heeft minder geld. En er is de kwestie Vlaams-Waals. Maar artsen in België zijn er veel en ze zijn snel. En: er zijn bijna geen wachtlijsten.

Naar de dokter België NRC Handelsblad

Mijn correspondentschap in Brussel begon anders dan ik me had voorgesteld: met buikpijn in een ambulance naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Maar er was ook goed nieuws. De kleine twee weken die ik mocht blijven bleken een crash course België voor beginners.

Ondanks het late tijdstip, rond middernacht, stonden er meteen twee dokters naast het bed: een Franstalige en een Nederlandstalige. Kiest u maar.

Ze communiceerden met elkaar in het Frans. Dat was les één. Vlamingen zijn in België in de meerderheid en ze hebben meer geld, maar hun taal is minder dominant. Zet tien Vlamingen en één Franstalige in een ruimte, een ziekenhuis of een stad, en er wordt al snel Frans gesproken.

Les twee: denk niet dat België net zoiets is als Nederland – zelfs áls er Nederlands gesproken wordt. Zo is België veel hiërarchischer, iets wat onder meer tot uiting komt in de relatie tussen arts en patiënt. In een Nederlands ziekenhuis zag ik eens een patiënt die in een schrift nauwkeurig bijhield welke medicatie hem werd toegediend. Nederlandse patiënten hebben graag het idee dat ze meebeslissen over wat er met hen gebeurt.

Dat probeerde ik ook – tevergeefs. Dagen duurde het om erachter te komen wat de plannen met me waren. Niet dat ik geen artsen zag, heel veel zelfs. Maar nadat ze een vraag hadden gesteld waren ze meteen weg. Na enige tijd had mijn vrouw het systeem door. Al die verschillende artsen brachten verslag uit aan het hoofd van de afdeling, die elders, op basis van alle vergaarde informatie, beslissingen nam. Buiten het zicht van de patiënten.

Moest ik de pillen die ik van thuis had meegenomen blijven slikken? Ik vroeg het op de eerste dag aan een verpleegster. Helaas, dat wist ze niet. En de dokter was al weg. Een andere arts durfde ze er niet mee lastig te vallen. Morgen. Maar dan moet ik zelf iets beslissen, zei ik. Als ik ze niet neem, dan is dat óók een beslissing. Lichte paniek bij de verpleegster. Die was zoveel vragen niet gewend.

Geneesmiddelen waren er later genoeg. „C’est un bon vin”, zei een andere verpleegster toen ze het zoveelste zakje met antibiotica aan het infuus hing. Een goede wijn. Belgische artsen zijn scheutig met medicijnen. „Ik ga nooit weg bij de huisarts zonder recept”, zegt een vriend. De cijfers bewijzen het.

Volgens een recent rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gebruiken op een willekeurige dag gemiddeld elf op de duizend inwoners in Nederland antibiotica. In België zijn dat er ruim twee keer zo veel: vierentwintig.

Wie voor het eerst een Belgisch ziekenhuis verlaat, kijkt ook even op. Voordat je bij de uitgang bent, kom je langs de kassa. Zo gaat het ook bij de huisarts. Een consult eindigt met: „Dat is dan 21 euro en 60 cent”. Onze huisarts accepteert alleen contant geld.

Nadat de bon van de dokter is beplakt met een speciaal stickertje met naam- en adresgegevens, kun je er mee naar de verzekeraar – die in België mutualiteit heet. Je kunt kiezen tussen een christelijke, een socialistische én een liberale mutualiteit.

Het maakt allemaal een wat archaïsche indruk, maar het werkt heel goed. Wachtlijsten zijn er vrijwel niet. Een MRI-scan waar in Nederland vier maanden op moest worden gewacht, kon in België vrijwel meteen worden gemaakt. „Het spijt ons, we hebben volgende week pas plek.” En als je hier op zondag na lang aarzelen besluit toch maar een huisarts te bellen voor advies over een van de kinderen, dan moet je niet raar opkijken als de dokter er vervolgens op staat zelf even langs te komen. „Met kinderen nemen we geen risico, meneer.”

Er zijn in België veel meer huisartsen dan in Nederland: 2,1 per duizend inwoners, tegen 0,5 in Nederland, volgens het OESO-rapport. Ze verdienen een stuk minder en moeten hun best doen om patiënten aan zich te binden.

De patiënt is koning, zeker ook bij de gynaecoloog die vorig jaar de bevalling van ons tweede kind deed. In Nederland kom je als zwangere vrouw meestal bij een praktijk waarin vier of vijf verloskundigen samenwerken. Je moet maar hopen dat op De Dag niet net die ene dienst heeft met wie het niet wilde klikken. In België kun je je eigen gynaecoloog uitzoeken en meenemen naar het ziekenhuis.

Onze gynaecoloog garandeerde dat hij bij de bevalling aanwezig zou zijn. Dat deed hij vaker, en daarom had hij het erg druk. Hij hield consulten tot ’s avonds laat en in het weekend. Vrienden die hem hadden aanbevolen, gingen zelfs langs voor controle op Tweede Kerstavond. Tussen twee gangen door.

Ja, zegt Marc De Vos, de Belgische gezondheidszorg scoort goed als het gaat om toegankelijkheid. Hij is directeur van het Itinera Instituut, een denktank in Brussel die zich bezighoudt met Belgisch overheidsbeleid. En de kwaliteit van Belgische artsen is uitstekend, zegt De Vos. Toch plaatst hij kanttekeningen. „Kijk je naar het gebruik van de nieuwste medicijnen en de nieuwste technologieën, dan begint België achterop te hinkelen. Alles wordt bepaald door de overheid. En dat betekent soms dat dingen traag gaan.”

En België zou België niet zijn, als de gezondheidszorg geen onderwerp was voor discussie tussen Vlaamse en Franstalige politici. De Vlaamse christen-democraten van premier Leterme zouden er graag zelf verantwoordelijk voor zijn. Zodat ze ook zelf de voordelen genieten als ze de zorg efficiënter organiseren.

Ze vinden bijvoorbeeld dat Franstaligen te vaak een beroep doen op (dure) specialisten. Vlamingen zijn meer als Nederlanders: ze gaan eerst naar de huisarts als ze een probleem hebben. Dat hoeft overigens niet. In België mag je ook zonder verwijsbriefje naar de specialist.

Een bezoek aan de Belgische huisarts duurt meestal wel wat langer dan in Nederland. Dat komt niet alleen doordat hij minder patiënten en dus meer tijd heeft. Maar ook doordat de telefoon tijdens het consult nogal eens rinkelt. De Belgische huisarts heeft vaak te weinig geld voor een assistent.

    • Jeroen van der Kris