Het weefgetouw van de rouw

Een zomerweek van schrijver/dichter Erwin Mortier, waarin Eleonore overleed. „Nora, we gaan nu je poezen eten geven.”

Donderdag 7 augustus

De wereld druilt, het snottert regen. De zilverabeel voor het raam van de woonkamer laat al zijn grijsgroene lover hangen, duizendvoudig bedremmeld, want Eleonore is dood.

Maandag is ze van de kankerafdeling naar huis teruggekeerd om te sterven, nog maar een schaduw van zichzelf. Ze was klaar. Amper een paar maanden geleden velden de artsen hun oordeel: dat er geen hoop meer was, alleen maar hoop op een lang afscheid. Het heeft niet mogen zijn. Ze hield zich sterk, toen zij en Jef ons hier thuis de barre tijding kwamen brengen. Nadien wilde ze klinken, met champagne. Op de vriendschap. Om te genieten van wat haar nog aan levensdagen restte – en om die ene huilkramp weg te slikken.

Eergisteren rond de middag is ze heengegaan, in de armen van Jef, omringd door de poezen en de groene tuin, waarin volgens haar laatste wens haar as straks verstrooid wordt. Voor Jef is de wereld ingestort, de zon van zijn leven gedoofd.

Al die dierbare doden dit jaar, de derde op nog geen zes maand tijd. Je zou denken dat rouw altijd dezelfde kleur vertoont, hetzelfde boeket verspreidt, maar ze hebben allemaal hun eigen kelken, de doden, en elk verdriet kent blijkbaar zijn eigen gisting, zijn eigen droesem en afdronk. Naarmate de droefenis verschaalt, zal de herinnering rijpen – hoop ik. Morgen crematie.

Vrijdag

Een spierwitte kist met een tuil rozen en vijf mensen eromheen, in een voor de rest lege zaal, zo heeft Eleonore het gewild. Er wordt maar één muziekstuk gespeeld, Im Treibhaus uit de Wesendonck-Lieder, en Jef heeft me gevraagd of ik heel kort iets wilde zeggen.

Ik heb het over levensplezier. Eleonore en Jef heb ik leren kennen toen ze me op een dag, moeilijk opklapbaar als ik ben, achter in hun hippe sportkar stapelden om met ze mee te rijden naar de Brusselse boekenbeurs. Het was krap zitten, op de achterbank. Geregeld schoof Nora’s boa van struisveders langs mijn neus. Ik moest de hele weg niezen, tot algemeen jolijt. Ik wist niet dat niezen zoveel plezier kon schenken. Ik wist niet dat ik zoveel van het leven hield.

Ik doe er lang over om de korte tekst voor te lezen. Al jankend over plezier spreken, het is absurd. Dan de laatste groet, hartverscheurend. Mijn man krijgt het te kwaad, neemt mijn hand in de zijne, drukt onze vingers hard tegen het witte hout.

Jef wil nog even alleen zijn met haar. We wachten intussen in een zijgang van dat al te koele crematorium. Mijn oog valt op een mededeling van de directie, afgedrukt op een geplastificeerd A-4tje en met plakband aan de muur gehangen: „We zijn niet verantwoordelijk voor verdwenen voorwerpen.” Vrijzinnig afscheid nemen op zijn Vlaams: armoe in plastic. Je moet het de oude religies nageven, hun bureaucratie van de dood is ten minste in koper en brons gegoten. „Het katholieke geloof komt van pas als je moet huilen,” schreven de gebroeders Goncourt.

Weer thuis laat Jef ons de rouwadvertentie lezen voor de krant van morgen: „Mijn geliefde Eleonore heeft ons verlaten. We blijven eenzaam achter, vol verdriet. Jef Geeraerts”

’s Avonds eten we samen bij vrienden. „Ik ga eens goed doordrinken”, zegt hij.

Zaterdag

De drukte van de afgelopen week, het afscheid gisteren, en de storm van telefoongerinkel nadat het nieuws bekend was gemaakt, dat alles is nu geluwd. Niets of niemand waar we ons sterk voor moeten houden. We wapperen wezenloos door het huis, en verbijten onze tranen of laten ze de vrije loop. Nu is ze pas echt weg.

„Met haar dood komt een abrupt einde aan een bizarre folie à quatre,” schrijft mijn man aan een vriendin. „Eleonore, Jef, Erwin en ik: twee schrijvers en hun echtgenoten. Twee ouders, twee kinderen. Een mysterieus kluwen van vriendschap, liefde en aan verliefdheid grenzende zottigheid. Uren samen op stap, uren samen aan tafel. Eleonore altijd in your face, zowel verbaal als vestimentair. Theatraal, maar nooit gelogen. De lach soms wat bijgeverfd, het Azteeks collier misschien wat zwaar, maar altijd helemaal Eleonore. Door haar spel heen schemerde de waarheid.”

Ja, zo was het.

Zondag

Rond elven ontwaakt uit een diepe slaap. Voor het raam, boven het bos en de Leie, weifelt de hemel tussen Constable en Turner. Pasteuze, donkerblauwe wolken, breekbaar geel waterverflicht en boomkruinen als penselen. De afgelopen week ben ik een paar keer bij het ochtendkrieken wakker geworden. Niets troostelozer dan een straatlantaarn die nog brandt terwijl een nieuwe dag opgloeit, hij leurt met lompen.

Ik beantwoord brieven, ontzette e-mails van geschrokken vrienden en kennissen, bel dan met Jef. „Het huis is leeg, zo leeg”, zegt hij. „Alles herinnert aan haar.”

Maandag

Ze loopt in mijn slaap door mijn dromen. Niet meer dan een glimp, een glimlach, een wuivende hand, alsof ze nog moet wennen aan haar nieuwe verblijf – of me mondjesmaat vertrouwd wil maken met haar aanwezigheid in dat deel van onze geest dat de dood terzijde schuift en geen enkele tijdsdimensie erkent dan het eeuwige nu.

„Ik hoor de hele tijd haar stem”, zegt mijn man. Zelf praat ik met haar. Als ik de katten voer, de twee struikrovers die we vorig jaar van haar en Jef cadeau kregen, betrap ik er mezelf op dat ik mompel: „Nora, we gaan nu je poezen eten geven.” Waait de deur van de eetkamer open, dan fluister ik lacherig: „Kom binnen. Doe alsof je thuis bent.”

Weer aan de schrijftafel, mezelf als scherven samen vegen, ophopen tot een schrijver. Het duurt een tijd voor de opgedroogde inkt in de pen die ik vergat dicht te schroeven weer gaat vloeien. Ik hou van dat krassende geluid. Schrijven, het is als beeldhouwen met een kopspeld. De roman, die mollige boreling, had eigenlijk allang van de tepel af moeten zijn, maar drie doden hebben hem onvoorzien langer aan mijn borst gehouden. Hoog tijd om hem uit de wieg te wrikken. Eenmaal de deur uit moet hij zelf zijn boontjes doppen. Romans zijn nestvlieders.

Dinsdag

Het was zo ‘naakt’, vorige vrijdag, zo onmiddellijk, zo direct, met enkel die witte kist glaciaal in die zielloze aula. Ik miste de onderdompeling in de collectiviteit, zoals na de uitvaart van de grootmoeder of die van Hugo: samen eten en drinken, en tussen de gesprekken verbaasd vaststellen dat ondanks de droefenis de ober toch wel erg mooie billen heeft en mijn man er als om in te bijten uitziet in zijn nette pak. En zo, al lonkend en kauwend en verhalend, komt dat averechts weefgetouw van de rouw op gang, dat draad voor draad de doden uit ons losmaakt om ze vervolgens op een andere manier weer met ons te verknopen.

De schrijfmotor weer aan de praat krijgen, verliep moeizaam. Na alle emoties zaten we gisteren als verdwaasd achter ons bureau. Ik ben dan maar stoofvlees gaan kopen. Mijn universele remedie tegen de maandagblues: Vlaamse stoverij.

Ingrediënten: 1 kg rundstoofvlees of een middelgrote christendemocraat in niet al te fijne moten gehakt, twee uien, fijngesneden, een tak tijm, enkele laurierbladen, een paar kruidnagels, één flesje pittig donker bier, een snee brood, gul besmeerd met mosterd.

Bak de uien aan, daarna het vlees, overgiet met het bier, voeg de kruiden toe, leg het brood erbovenop en laat onder deksel twee uur pruttelen.

Woensdag

De wereld, ver weg de voorbije dagen, dringt stilaan weer tot me door. De voorzitter van het IOC heeft in Peking de Chinese president de levieten gelezen, waarna deze snikkend aan zijn voeten viel en meteen de democratie invoerde. Poetin intussen, riep na het lezen van Oorlog en Vrede de troepen terug uit Georgië. Zakenlieden die het geen moer kan schelen met welk regime ze zoete broodjes bakken, zolang de kassa maar blijft rinkelen, roemen nu de sport om haar politieke betrokkenheid, en halfgeletterde politici die cultuur doorgaans een ziekte voor rare mensen vinden, juichen luidkeels dat kunst weldegelijk de wereld verbetert… Zou het?

In mijn krant meldt één of andere culturele bobo dat de beste architectuur niet zelden onder dictatoriale regimes tot stand komt, dus wat zeuren we: „De indrukwekkende mediacampagne van het Olympische stadion toont ons de fascinatie die architectuur nog steeds kan wekken.” Troebele vogelnestjessoep voor opportunisten. Ik denk aan wijlen Joseph Brodsky. Die maakte aan zulke idiotie nooit veel woorden vuil: ‘Vrijheid is het echte meesterwerk.’

Donderdag 14 augustus

Een muziek, een ritme dat al een paar dagen in mijn hoofd, in mijn borst hangt, taalde vannacht ineens naar taal. Ik ben opgestaan, heb een glas melk gedronken, de kat een aai gegeven. Ging dan zitten aan de schrijftafel.

Een lichaam kent zichzelf volkomen buiten

onze woorden om, het is zijn eigen

geheime vervoeging van oppervlakken.

Inwendig ligt het opgeplooid

in ribbenkasten, klampt zich vast aan richels

bot en hangt precair boven angst-

wekkend ondiepe ravijnen

van hartkloppingen aan elkaar….

Toen stokte het, de muze had het raam weer gesloten.

De muziek klinkt nu te ver weg om er taal bij te vinden.

Het komt wel. Dichten is wachten naast het woord.

    • Erwin Mortier