Grote criminelen wonen niet in rijtjeshuizen

Het Philips Pensioenfonds zegt dat het 150 miljoen euro schade heeft geleden door fraude van ex-bestuurders en hun handlangers. Namens het fonds kochten die allerlei vastgoed voor te hoge prijzen en verkochten het te goedkoop, waarbij ze er zelf met allerlei bv’s tussen gingen zitten om het verschil op te soppen en in eigen zak te steken. De zaak kwam vorig jaar november aan het licht met een grote gecombineerde actie van het Openbaar Ministerie en de FIOD-ECD. Het Philips Pensioenfonds heeft nu bekendgemaakt dat het beslag heeft laten leggen op de woonhuizen van de verdachten.

Ik constateer bij mezelf tegenstrijdige gevoelens over de hele affaire. Bij de huiszoekingen en de arrestaties in november stond ik bij wijze van spreken te juichen langs de lijn. Wat fantastisch dat er paal en perk gesteld werd aan de arrogantie waarmee witteboordenboeven zich buiten en boven de wet plaatsen. Dat de handhavers van wet en recht nu eens niet lijdzaam hoefden toe te zien hoe patserige types ongegeneerd in de kas graaien en in hun Zuid-Franse huizen minachtend zitten te doen over het eenvoudige pensioenvolk waarvoor ze een fiduciaire verantwoordelijkheid hebben – een verantwoordelijkheid die ze zojuist grof geschonden hebben. En vooral, dat er een voorbeeld gesteld wordt dat ontmoedigend werkt op mogelijke navolgers in het kwaad. Het moet in dit land niet zo ver komen dat op ruime schaal de conclusie wordt getrokken dat ondeugd loont en deugd wordt uitgelachen. Zo dacht ik.

Maar nu stonden een week geleden in Het Financieele Dagblad, onder de kop ‘Miljoenenbeslag op rijtjeshuis’, foto’s afgedrukt van de betroffen panden. En inderdaad, dat waren geen patserswoningen maar gewone nette huizen in normale straten. Van die straten waarvan het FD als betekenisvol detail opmerkte dat een van de buren wat bijverdient met een hondentrimsalon in de garage. Wie hier woont heeft óf geen verduisterde miljoenen op de bank, of hij leidt ergens ver weg een dubbelleven.

Wij Hollanders waren tot een jaar of wat geleden nogal gecharmeerd van sobere buitenkanten. In de Gouden Eeuw moesten de gevels aan de Herengracht eenvoudig zijn; als je rijk was, liet je dat pas achter de voordeur zien. Het trof me deze week nog in een interview rond de publicatie van een boek van filantropisch ondernemer Fred Matser. Zijn vader was Johan Matser, in de jaren zestig en zeventig een van de grootste en succesvolste projectontwikkelaars van Nederland. Ik was in die tijd nog jong en een beetje links, en wist dus zeker dat projectontwikkelaars schurken en speculanten waren, die ten koste van landschap en samenleving woonwijken bouwden en zakken vulden. Maar, vertelt zoon Fred, hij is altijd blijven wonen in de helft van het dubbele woonhuis in Hilversum dat het gezin in 1948 had betrokken. Als ik dat destijds geweten had, had ik misschien wel milder over hem gedacht, en over vastgoedmensen in het algemeen.

Een ingetogen presentatie levert krediet op. Protserigheid doet het omgekeerde. Zo is deze week in Villefranche-sur-Mer aan de Côte d’Azur, Villa Leopolda verkocht, voor 500 miljoen euro, het hoogste bedrag dat ooit voor een woning is betaald. Het was al een heel fout stuk vastgoed, in 1902 gekocht door de Belgische koning Leopold met de bloedopbrengst van zijn slavenondernemingen in de Kongo, maar de koper, een niet nader genoemde Russische oligarch, heeft vast ook zijn vermogen niet met een krantenwijkje verdiend. Het voordeel is dat het op één na duurste woonhuis, een optrekje in de buurt van Kensington Palace van de Indiase staalmagnaat Lakshmi Mittal, met zijn 147 miljoen euro plotseling een toonbeeld van ingehouden gedrag lijkt.

Het is moeilijk te geloven dat de burgerwoningen in Nuenen en Vught waarop het Philips Pensioenfond nu beslag heeft laten leggen, toebehoren aan grote jongens in het criminele circuit. Zelfs de Heemsteedse villa van de hoofdverdachte is nogal gewoontjes. De Volkskrant moest in ieder geval voor een foto een forse groothoeklens gebruiken om het nog wat te doen lijken. Zijn deze mannen echt zo rijk en doortrapt als ze worden afgeschilderd? Of is het voor de zoveelste keer klein grut, tweede garnituur dat in het net wordt opgehaald terwijl de grote vissen allang zijn weggezwommen? En kunnen de netophalers zich niet veroorloven dat toe te geven en moet er tonijn worden geadverteerd terwijl er een paar makrelen zijn gevangen?

Vandaar mijn tegenstrijdige gevoelens. Ze hebben ook te maken met een heimelijk vermoeden van willekeur en noodlot. Stel nu eens dat deze mannen wel een beetje schuldig zijn maar niet heel erg. Dan kan het nog steeds maatschappelijk nuttig zijn, ze als afschrikwekkend voorbeeld flink aan de schandpaal te nagelen. Maar er zijn wel reputaties, gezinnen, carrières en burenrelaties mee verwoest. Als dat hun vandaag kan overkomen, wie zegt mij dat ik dan morgen niet op het schavot sta?

Ik was ooit diep onder de indruk van een film die ik zag in de tijd dat Johan Matser bezig was met zijn woonwijken en winkelcentra. Hij heette A Man for all Seasons, en ging over het leven van Sir Thomas More, Lord Chancellor onder de Engelse koning Henry VIII. More weigert de wet te buigen om de echtscheiding van de koning mogelijk te maken, want, zegt hij, „als ik de hindernissen van de wet afbreek om de duivel te pakken, waar zal ik dan dekking zoeken als hij zich omkeert?”

Het was maar een film, en of het precies klopt is niet zo belangrijk. Feit is dat Thomas More toch op het schavot eindigde, en dat ik voorgoed ben doordrongen van de rommelige belangen achter de gepolijste façades van wet, rechtspraak en officiële voorlichting. En van het besef dat de duivel zich kan omkeren, niet alleen als ik hem vervolg maar ook wanneer ik alleen maar aan de kant sta te lachen terwijl hij een ander achternazit.