Gierig en gokken

Deze zomer beschrijven onze correspondenten de verhouding van hun land met geld.

Britain's Queen Elizabeth II is pictured on British five, ten and twenty pound notes, arranged for a photograph in Paris, France, on Sunday, Oct. 28, 2007. The pound rose to a 26-year high against the dollar on speculation the Bank of England will keep interest rates at a six-year high while the Federal Reserve cuts borrowing costs tomorrow. Photographer: Alastair Miller/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

We kennen elkaar al ruim 25 jaar, maar ik heb geen idee wat mijn vriend Martin verdient. Ongetwijfeld een veelvoud van mijn journalistensalaris, want hij werkt als bankier in de Londense City, waar voor slimme mensen zeer veel geld valt te verdienen. Maar nog nooit hebben we rechtstreeks naar elkaars salaris gevraagd. Een ongeschreven fatsoensregel schrijft voor dat Engelsen zulke gevoelige zaken niet direct met elkaar bespreken. Zelfs echtparen delen dat soort informatie vaak niet met elkaar.

Nog herinner ik me hoe het zweet me uitbrak toen ik vorige zomer in opdracht van de economieredactie van deze krant een verhaal moest maken over een echtpaar uit de middenklasse. Er diende in voor te komen hoeveel ze verdienden en hoeveel hun huis had gekost, had de betreffende collega nog achteloos opgemerkt.

Kennelijk was hij geheel onkundig van het boek Watching the English van antropologe Kate Fox, een schatkamer vol kostelijke informatie over Engelse gedragscodes. „Het is volstrekt verboden iemand rechtstreeks te vragen wat hij voor zijn huis heeft betaald”, aldus Fox. „Dit is bijna even onvergeeflijk brutaal als vragen wat mensen verdienen.”

Uiteindelijk verstrekte het betreffende echtpaar de verlangde informatie zonder noemenswaardig verzet, maar het bleef natuurlijk honds gedrag van mijn kant.

„Het klopt dat er nogal een taboe rust op zulke informatie”, zegt ook Ciara Phillips, een medewerkster van het dure warenhuis Liberty, die op een beurs voor luxeartikelen damestassen van vele honderden ponden onder de aandacht probeert te brengen. „Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat we niet branden van nieuwsgierigheid naar wat anderen verdienen”, voegt ze er met een fijn glimlachje aan toe.

Waarbij de meeste belangstelling uitgaat naar de rijken. Want welke Brit is nu serieus geïnteresseerd in het inkomen van een buschauffeur, een onderwijzer of de groenteboer op de hoek? Wat betreft de rijken komen de Britten goed aan hun trekken via de pers. Vooral de jaarlijkse ‘Rich List’ van The Sunday Times is vermaard.

Opvallend is dat onder de vijfhonderd rijkste inwoners van Groot-Brittannië de buitenlanders gestaag oprukken. Van de 75 miljardairs in het land is minder dan de helft van Britse afkomst. De lijst wordt aangevoerd door Indiase en Russische megarijken, die er niet voor terugdeinzen woningen aan te schaffen voor 70 miljoen pond, zoals staalbaron Lakshmi Mittal onlangs deed, of een paar schilderijen van Francis Bacon en Lucian Freud voor 60 miljoen pond (olie-oligarch Roman Abramovitsj).

In hogere Britse kringen getuigde het vanouds van slechte smaak om te opzichtig met je rijkdom te pronken. Zelfs mensen met heel veel geld omschreven zich niet gauw als ‘rijk’. Te vulgair. Maar de nieuwe rijken hebben daar vaak geen boodschap aan. Meesmuilend berichten kranten soms over de extravagantie van zulke lieden. Zoals de dame die haar hond met een particulier vliegtuig transporteerde. Het was niet fair het lieve beest zijn plas in het vliegtuig te laten doen, vond ze. Dus werd er à raison van 50.000 pond een tussenlanding in Canada ingelast, zodat de hond zijn behoefte kon doen met vaste grond onder de poten.

Tegelijkertijd kunnen vooral Engelse rijken (bij Schotten en Ieren ligt dat iets anders) heel karig zijn, op het gierige af. Mijn huisbazin, die meerdere waardevolle huizen bezit ter waarde van miljoenen ponden, kan bitter klagen over een rekening van een loodgieter van 100 pond. Liever laat ze kleine mankementen in het huis provisorisch maar gratis herstellen door haar schoonzoon.

Je krijgt in een pub waarschijnlijk eerder een glas aangeboden van een minder vermogende dan van iemand met een dikke portemonnee.

Een hoofdstuk apart in Britse geldzaken vormt intussen het wedden. Geen ander volk beleeft er meer lol aan om vaak zeer forse bedragen te vergokken bij paardenraces, voetbaltoto’s, hazewindhondenraces of in casino’s. Op alles kan gegokt worden, van de uitkomst van de verkiezingen tot de kans dat prins William zich dit jaar verlooft. Met een verbijsterende nonchalance jagen de Britten, van hoog tot laag, er zo jaarlijks alles bij elkaar miljarden ponden door. Vorig jaar sprak ik bij de beroemde paardenrace van Ascot drie vriendinnen, van wie er één secretaresse was, die samen op een middag 6.000 pond hadden verloren bij weddenschappen. Het is een publiek geheim dat ook koningin Elizabeth graag een gokje waagt bij de paardenraces.

Deze goklust bij de Britten vloeit voort uit een zekere speelsheid. Mensen moeten zichzelf vooral niet te serieus nemen en bereid zijn enig risico te nemen. Van alles proberen ze daarom een spel te maken, van een simpele conversatie tot een belangrijk politiek debat. De beroemde Britse humor is er een belangrijk bijproduct van. Op financieel gebied manifesteert zich die neiging tot speelsheid en risico’s nemen op veel grotere schaal, op de beurs en de financiële markten. Britten zijn al heel lang verwoede investeerders, om niet te zeggen speculanten. Niet voor niets is Londen al eeuwen een van ’s werelds grootste financiële centra.

Belangstelling voor geld is er, als het er op aankomt, bij alle klassen te vinden. De meeste dagbladen bieden dan ook ten minste wekelijks een speciale bijlage, veelal recht toe recht aan ‘Money’ geheten. Daarin zijn investeringsadviezen te vinden, maar ook wat te doen om een financieel vastgelopen vriend te helpen.

In dat verband signaleerde de ‘Money’-bijlage van The Guardian onlangs een interessante nieuwe trend: in het huidige klimaat van kredietcrisis en karigheid is het makkelijker verstandig financieel gedrag met vrienden te bespreken. Voor anderen wellicht niets nieuws, maar voor Britten een ware omwenteling. Nood breekt kennelijk zelfs in dit land met zijn vastgeroeste tradities wet.