Elk land misrekende zich op fatale dag

De huidige wantoestand in de Kaukasus is het resultaat van de riskante, provocerende manoeuvres van alle partijen. En de oorlog dient nergens toe, meent Igor Torbakov.

Elk land misrekende zich op fatale dag. Tekening David Smith Smith, David

Volgens de vermaarde uitspraak van Carl von Clausewitz is oorlog de voortzetting van de politiek. De nieuwe oorlog in de Kaukasus is het jammerlijke resultaat van het onverantwoordelijke, roekeloze politieke optreden van alle partijen. Hoewel het er nu op lijkt dat de strijd van zes dagen is geëindigd met de verklaring van Rusland dat zijn militaire operatie in Georgië voorbij is en dat „zijn doelstellingen zijn bereikt”, ziet het ernaar uit dat dit een zware nederlaag wordt voor alle partijen.

Helaas, maar het was te voorzien: het conflict over de separatistische enclave Zuid-Ossetië, dat al jaren in de vriezer lag, is ontdooid en tot bederf overgegaan.

Nog voor de formele verklaring van de Georgische president Michail Saakasjvili was het al oorlog, van meet af aan: Russische troepen streden zij aan zij met separatistische militaire eenheden en gehavende Russische vredeshandhavers – over wier eigenlijke functie Tbilisi allang zo zijn ideeën had – knokten tegen Georgische strijdkrachten.

Ook werden op grote schaal Georgische doelen ver buiten de separatistische regio gebombardeerd. Het was bovendien niet verwonderlijk dat de twee partijen het niet eens werden over de oorzaak van het conflict.

Volgens Tbilisi diende zijn operatie van 8 augustus tegen Tschinvali, de hoofdstad van Zuid-Ossetië, om de constitutionele orde te herstellen. Volgens Moskou probeerden zijn tankeenheden en zijn bataljons speciale troepen alleen maar „de Georgische partij te dwingen tot [instemmen met] vrede”.

Nadat Moskou een staakt-het-vuren had afgekondigd, gingen de Russische leiders akkoord met een aanzet tot een vredesplan, dat het resultaat was van onderhandelingen met de Franse president Nicolas Sarkozy. De blauwdruk van zes punten omvat onder meer de terugtrekking van de Georgische en de Russische troepen naar de posities van voor het conflict, en beëindiging van het geweld.

Verbazend genoeg kloppen alle oorlogvoerende partijen zich nu op de borst en roepen dat zíj geen belang hebben bij een complete oorlog en dat zíj daar altijd tegen zijn geweest. Toch is de huidige wantoestand het cumulatieve resultaat van hun riskante, provocerende manoeuvres.

Voor de jonge Russische leider Medvedev lijkt een grootscheepse oorlog met een GOS-buurland – vooral gezien zijn streven om zich te profileren als een meer democratisch gezinde politicus dan zijn voorganger, de ex-geheimagent met de staalharde blik – niet bepaald een geweldige start van zijn ambtstermijn als president.

Toch draagt Rusland het leeuwendeel van de verantwoordelijkheid voor de jammerlijke ontwikkelingen in Zuid-Ossetië. Moskou was er namelijk lange tijd op gebrand de conflicten over de separatistische delen van Georgië blijvend onopgelost en ‘bevroren’ te houden, omdat het er een handig middel in zag om druk uit te oefenen op Tbilisi.

Recentelijk is er door twee oorzaken nog meer op het spel komen te staan en heeft de toestand rond de twee separatistische enclaves het kookpunt bereikt.

Ten eerste heeft de regering van de Georgische president Saakasjvili geopolitiek ondubbelzinnig gekozen voor het Westen: ze heeft verklaard zowel tot de NAVO als tot de Europese Unie te willen toetreden. In de ogen van Moskou was die ‘vlucht naar het Westen’ van Tbilisi zoiets als het overschrijden van de ‘rode lijn’ – iets wat tot elke prijs moest worden voorkomen.

Ten tweede hebben begin dit jaar de voornaamste westerse mogendheden de onafhankelijkheid van de provincie Kosovo, die zich van Servië had losgemaakt, erkend zonder enige aandacht te schenken aan de protesten van Moskou.

Het Kremlin besloot daarop van de ontwikkelingen op de Balkan te profiteren door de kans dat Georgië in zijn oude omvang zou worden hersteld, nog verder te verkleinen of zelfs te elimineren. Onmiddellijk nadat Kosovo zijn onafhankelijkheid had uitgeroepen en het Westen daaraan zijn goedkeuring had gehecht, haalde Rusland – terwijl het lippendienst bewees aan het beginsel dat Georgië in zijn oude omvang zou worden hersteld – de economische en politieke betrekkingen aan met Zuid-Ossetië en Abchazië, de tweede separatistische regio van Georgië.

In Tbilisi werd de versterking van de betrekkingen tussen Moskou en de separatisten beschouwd als een uiterst provocerende stap. Enkele Georgische beleidsmakers beweerden zelfs dat Rusland al begonnen was met een ‘sluipende annexatie’ van delen van Georgië.

Maar het ging het Kremlin er alleen maar om de Georgische leiders uit hun tent te lokken, met het doel de Georgiërs in de ogen van hun westerse achterban te doen uitkomen als onvoorspelbare, onverantwoordelijke en potentieel gevaarlijke bondgenoten, niet geschikt om lid te worden van de NAVO. Tbilisi van zijn kant was ook niet vies van de nodige provocaties. Het had zijn best gedaan om Rusland af te schilderen als een door en door imperialistisch, expansionistisch en internationaal ronduit gevaarlijk element, dat snode plannen koesterde jegens Georgië, die slechts konden worden gedwarsboomd door Georgië hecht in de Euro-Atlantische organen te verankeren.

Toen Saakasjvili het herstel van het oude territorium van zijn land eenmaal boven aan zijn politieke agenda had geplaatst, is het kennelijk tot hem doorgedrongen dat handhaving van de status quo, met Rusland als voornaamste ‘vredeshandhaver’ in de omstreden gebieden, zijn doel nagenoeg onbereikbaar maakte. Hierop lijkt hij een tweeledige strategie te hebben ontwikkeld:

proberen Rusland uit de separatistische gebieden te verdrijven, of althans Ruslands rol als vredeshandhaver zo klein mogelijk te maken door de oplossing van het conflict te internationaliseren, en

zich militair te versterken om snel te kunnen toeslaan zodra zich een gelegenheid voordeed om gewapenderhand het Georgische gezag in de separatistische gebieden te herstellen.

Voorts zou het een dwaling zijn om de leiders van de Zuid-Ossetische separatisten af te doen als louter stromannen of lakeien van Moskou. Lieden als Eduard Kokoity – de facto president van Zuid-Ossetië – zijn vaardige provocateurs, die maar al te goed weten hoe ze hun beschermheren in Moskou moeten manipuleren om de nodige middelen – brandstoffen, geld en militair materieel – te verkrijgen om hun abnormale regime in stand te houden. Zij hebben alle belang bij handhaving van de status quo, en zijn erop gebrand om in het wetteloze leengoed dat zij tussen Georgië en Rusland bij elkaar hebben gesprokkeld, de ‘beheerste chaos’ te doen voortduren.

Het lijkt erop dat op de fatale avond van 8 augustus alle drie de partijen zich lelijk verrekend hebben. De separatisten in Tschinvali hadden er duidelijk niet op gerekend dat Tbilisi zijn ‘operatie reconquista’ zo vastberaden en meedogenloos ter hand zou nemen.

Ook Moskou lijkt te zijn verrast toen de Georgische strijdkrachten in stormpas het grootste deel van Zuid-Ossetië innamen. De Georgiërs lijken op hun beurt de kans op snel en krachtig Russisch militair ingrijpen te hebben onderschat, en de bereidwilligheid van het Westen om Tbilisi substantiële bijstand te verlenen, te hebben overschat.

De gevolgen van die misrekeningen zijn de huidige chaos, dood en verderf.

Het treurigste van alles is dat de nieuwe oorlog in de Kaukasus helemaal nergens toe dient. Hij zal niet één van de problemen van de regio oplossen; integendeel, hij zal waarschijnlijk de strategische situatie van alle bij het conflict betrokkenen verslechteren.

De Ossetiërs en Georgiërs in de streek zelf zijn de eerste, meest in het oog springende slachtoffers van het huidige debacle. Er wordt melding gemaakt van aanzienlijke aantallen slachtoffers onder de burgerbevolking, de infrastructuur van de separatistische regio is vernield, en er vindt een groeiende humanitaire crisis plaats: duizenden vluchtelingen stromen noordwaarts, naar Noord-Ossetië (in de Russische Federatie), of zuidwaarts, naar Gori en Tbilisi.

Als de Georgische leiders hadden gehoopt met een ‘prachtig oorlogje’ de separatistische provincie weer in te lijven, hebben ze zich deerlijk vergist. Naar alle waarschijnlijkheid zullen zij worden gedwongen – zowel door militaire pressie van de Russen als door internationale bemiddelaars – terug te keren naar de status quo.

Maar wanneer het uiteindelijk zover komt, zal dat toch niet exact de situatie zijn van voor 6 augustus.

Ten eerste kan de regering-Saakasjvili, na de verprutste poging om de separatisten met geweld haar wil op te leggen, ieder vooruitzicht op herstel van Tbilisi’s soevereiniteit over Zuid-Ossetië of Abchazië wel vergeten. Na het in Tschinvali aangerichte bloedbad heeft de huidige Georgische leiding in de ogen van de Ossetiërs en de Abchaziërs iedere geloofwaardigheid verloren.

Maar ook Tbilisi’s aanzien in het Westen heeft aanzienlijke averij opgelopen, want de westerse beleidsmakers kunnen maar moeilijk begrip opbrengen voor de felle aanval van Georgië op Tschinvali – vooral nadat Saakasjvili stelselmatig had geprobeerd zich te profileren als een uitgesproken tegenstander van militaire conflicten.

De pogingen van Tbilisi om de westerse mogendheden bij de oorlog te betrekken door de schimmen van de Koude Oorlog op te roepen en te spreken van een onheilspellende „Russische dreiging” tegen de „beschaafde wereld”, waren contraproductief, gevaarlijk en een beetje naïef – geen wonder dat het Westen niet hapte.

Alhoewel het Westen weinig in te brengen heeft in Rusland, zal de nieuwe oorlog in de Kaukasus Moskous internationale imago denkelijk veel kwaad doen. Het beschieten en bombarderen van steden in Georgië zelf is in het licht van het internationaal recht, waarvan Rusland zich een groot voorvechter noemt, zeer dubieus.

Doordat Rusland zich rechtstreeks in de oorlog heeft gemengd en daarmee partij is geworden in het conflict, is twijfelachtig geworden of het in de toekomst in regionale conflicten nog als neutrale bemiddelaar en vredeshandhaver zal kunnen optreden. Het ziet er vooral naar uit dat de kans dat zulke regionale conflicten worden opgelost, door de zinloze oorlog in de Kaukasus voor onbepaalde tijd verkeken is.

Igor Torbakov is als onderzoeker verbonden aan het Finse Instituut voor Internationale Aangelegenheden in Helsinki. Hij is gespecialiseerd in Russische en Euraziatische geschiedenis en politiek.

    • Igor Torbakov